Geen greintje gevoel.


In de kroeg slaat Sjaak zijn maat van vroeger op zijn schouder.
“Hee kale! Long time no see! Leuk man! Hoewissie?”
– “Van jouw haar is anders ook weinig meer over, Sjaak! Met slechte lui gaat het altijd goed, dat weet je toch!”
Lachend wrijven ze over elkaars hoofd.
“’Sapje’?”
– “Goudgeel schuimend, met bruine fruitschaal.”

Even later zitten de mannen op het terras te genieten van een biertje met een portie bitterballen.
“Alles kits achter de rits, Bas?”
– “Achter mijn rits wel, achter de jouwe ook?”
Zo ouwehoeren ze nog even door, tot er plots een stilte valt.

“Wat kijk je bedrukt,” vraagt Sjaak. “zit je in de problemen?”
– “Nogal. Ik hoop dat jij me wilt helpen.”
“Zeg het maar, ik doe alles voor je, daar zijn we maten voor!”
– “Weet je dat wel zeker, het is linke soep.”
“Zelfs dan.”

---

Sjaak kijkt z’n maat doordringend aan.
“Vertel op man.”
– “Het is echt beter als je niet teveel weet.”
“Vertrouw je me soms niet?”
– “Jawel, maar ik wil niet dat jij straks ook in de penarie zit.”
“Bas, ik bied je mijn hulp toch zelf aan!”
– “Zeg straks niet dat ik je niet gewaarschuwd heb. Deze gasten deinzen nergens voor terug. Die nemen levens tussen de soep en aardappelen. Geen greintje gevoel.”
“Hoe ben je daar mee in aanraking gekomen?”
– “Dat doet er niet zo zeer toe. De vraag is: hoe kom ik er vanaf! Ik doe geen oog meer dicht, mijn bloeddruk is behoorlijk gestegen en kom haast nergens meer.”
“Kalm maar gozer.”
– “Ik moest er echt even tussenuit.”
Een auto met geblindeerde ramen rijdt in volle vaart richting het terras. Iedereen kijkt verschrikt op. Dan worden er schoten gelost.

---

De auto verdwijnt nog sneller dan ‘ie verscheen. Sjaak ziet Bas doorzeefd en levenloos in de stoel zitten. Zijn bloed druipt uit de wonden. Binnen een mum van tijd is een rechercheur ter plaatse.
“Bent u familie?”
– “Nee, een maat van vroeger. We hadden elkaar al een hele tijd niet gezien.”
“Heeft u enig idee wie het gedaan kan hebben?”
– “Geen idee… Wie wil nou zo’n goede knakker omleggen.”
“Hier is mijn kaartje. Als u ook maar een klein detail weet, kunt u mij bereiken.”

Bas had op het punt gestaan om hem in te lichten. Moest Sjaak dit aan de rechercheur vertellen? Of zal hij zelf daardoor in gevaar komen? Hij besluit voorlopig te zwijgen. Eerst alles op een rijtje krijgen.
De ouders zijn er kapot van. De uitvaart is hartverscheurend. Na afloop ziet Sjaak de rechercheur staan. “Hallo.”

---

“Bent u al iets te weten gekomen?”
– “Er heeft zich iemand op het bureau gemeld, dat hij een gesprek afluisterde tussen u en uw kameraad.”
Sjaak houd zich van de domme.
“Wat voor gesprek? Tussen wie?”
– “Tussen Bas en u! Klopt het dat hij ergens knijp voor had?”
Het maakt hem wat zenuwachtig. Wordt hij nu verdacht?
“Ja, dat is zo. Alleen kwam het daar helaas niet van.” Hij ploft op een bankje. “Ik ben er kapot van. Dit verdiend die man niet.”
– “Maar waarom zei u niets over dat gesprek. Ik verzoek u om mee te komen naar het bureau.”
Sjaak springt op en verheft zijn stem. “Wat zullen we nou krijgen! Ik heb er niets mee te maken want ik weet er helemaal niks van af!”
– “Agressief? U word vooralsnog niet gearresteerd. Wilt u meewerken aan een ondervraging?”

---

“Dat zal kort zijn. Ik heb namelijk geen antwoorden! Daar kunnen jullie je niet op baseren. Bovendien wil ik eerst naar de koffietafel.”
– “Begrijpelijk. Komt u dan na afloop zelf naar het bureau?”
Sjaak bedaardt. “Is goed dan. Tot straks.”

Als hij in z’n auto gaat zitten, merkt hij een briefje op, onder de ruitenwisser: “Hou je mond, of je zult een lesje leren.” Als hij wil wegrijden voelt hij hoe twee banden snel leeglopen. Meestal is er dan opzet in het spel. Ook hier, want in beide zit een flinke snee. Hij kijkt om zich heen. Hij ziet nog net iemand wegrennen. Een stukje rent hij erachteraan. “Ik weet verdomme niets!” Hij krijgt een middelvinger terug. Een kwajongen?
Hij laat de auto achter om thuis de fiets te halen.
Hij heeft namelijk een afspraak. De banden vervangen komt later.

---

Eenmaal op het bureau vraagt de rechercheur:
“Meneer Vonk, kunt u het gesprek wat tussen Bas Rietjens en u heeft plaatsgevonden op het terras, herhalen?”
Sjaak begint over dat hij die kale sinds lange tijd weer in de kroeg had zien zitten, hem toen niets was opgevallen. Dat pas op het terras de sfeer omsloeg. “Rietjens keek zo zorgelijk. Radeloos. Dus vroeg ik wat er aan de hand was. Maar nog voordat enige uitleg kwam, was daar ineens een auto, vanwaaruit een aanslag werd gepleegd op mijn beste vriend.”

“Degene die ons zat af te luisteren, heeft u die al ondervraagd?”
– “Nee, dat is een stille, die op het terras zat. Ik mag dus ook niet diens identiteit aan u prijsgeven. Sowieso niet, in verband met privacy.”
“Dat afluisteren is ook een inbreuk op onze privacy. Was daar reden voor?”


---

– “Daar kan ik geen uitspraak over doen.”
“Dan zijn wij uitgepraat. Ik ga! Heb namelijk nog twee banden van mijn auto te vervangen en moet morgen ermee naar mijn werk kunnen.”
– “Twee nog wel?”
“Ja, lek gestoken. En dit briefje zat onder mijn voorruit.”
Hij staat op en overhandigt het briefje aan de rechercheur, die het meteen bekijkt.
– “U zou aangifte kunnen doen.”
Sjaak schuift de stoel hardhandig aan. “Met dit als basis? Zou u dat in mijn plaats doen? U heeft wel wat belangrijkers te onderzoeken. Bovendien staat er toch dat ik mijn mond moet houden. Al heb ik zelf geen idee waarover!”
– “Blijft u nou toch kalm meneer Vonk!”
“Kalm? Ik heb alle reden om niet kalm te blijven! In aanloop naar de uitvaart kreeg ik een paar keer letterlijk nietszeggende telefoontjes. Ik geloof niet zo in toeval.”

---

– “Gaat u maar. Ik bel u nog. Blijf bereikbaar alstublieft.”
“Dat ook nog. Mijn kameraad dood en mijn eigen leven on hold.”
– “Het is even niet anders. We proberen met man en macht de zaak op te lossen.”
Dan schiet Sjaak iets te binnen. “Soep.”
– “Die kunt u in de winkel hiernaast kopen.”
“Nee, linke soep. Dat zei Bas! Hij wou niet dat ik ‘ook’ in de penarie kwam. Die gasten vermoorden zonder boe of bah.”
– “Zei hij dat?”
“Zo ongeveer ja.”

De rechercheur denkt onmiddellijk aan de meest gezochte criminelen van de regio. Daar valt weinig tegen te beginnen. Daar wordt al jaren op gejaagd. Het was een liquidatie. Maar wat is daar de reden van?
– “Ik hoop dat u de dader snel te pakken krijgt, voor er meer slachtoffers vallen. Nou, tot horens dan maar.”
“Prima. Tot binnenkort.”

---

Eveline, de zus van Bas belt. “Sjaak? Ik heb iets gevonden wat jou toebehoort.”
– “Wat dan?”
“Een of andere verzegelde enveloppe, met jouw naam er op.”
– “Waar ben je?”
“In het huis van Sjaak.”
– “Ik kom er aan.”

“Voor als ik er niet meer ben.” Sjaak leest het niet hardop. De rillingen lopen over zijn rug. Heeft Bas geweten dat zijn kaarten geschud waren?
“Ik laat je alleen” zegt Evelien. De band tussen broer en zus was verwaterd, maar aangezien hun ouders er niet toe in staat waren, ruimde zij het huis leeg. “Als er iets is wat je graag zou willen hebben, neem maar mee. Trek straks de deur maar gewoon achter je dicht.”
“Dank je wel. Ik hoef geen spullen. Geef het anders maar aan de kringloop.”
Eveline vertrekt. In de enveloppe zitten oude foto’s. En nog iets.

---

Met een grote glimlach bekijkt hij de foto’s. Herinneringen aan vroeger. Wat hebben ze van jongs af aan samen lol gehad. En dan ziet hij wat er nog meer in de enveloppe zit. Geld. Een dik pak zelfs. Hoe kwam Bas daar aan? Was hij het aan de dader verschuldigd? Waarom draait toch verdorie zoveel om geld? Het leven is veel meer dan dat! Doden vanwege geld, Sjaak zal het nooit bevatten.
Onder het elastiek eromheen, zit een brief.

“Beste Sjaak.

Als je dit leest ben ik er niet meer. Hou het geld, ga lekker op vakantie, doe er leuke dingen mee. Maar breng het niet naar de bank. Vertel het niemand. Vertrouw de politie niet.

Vaarwel,

Bas.”


Daar schrikt hij van. Ergens niet. Hoe vaak hoor je niet over corruptie.
Het is al vijf uur. Snel de banden regelen!!

---

Als zijn auto weer in orde is, rijdt hij naar een afgelegen plek bij de dijk en steekt een sigaret op om na te denken. Hij kan nu niet gaan, want hij moet in de buurt blijven, had de rechercheur verzocht. Hij scheurt het briefje kapot en steekt het in brand. Er is niets meer van over.
Er stopt een auto met stevige basklanken. Een potig figuur stapt uit. Even krijgt Sjaak het Spaans benauwd. De man gaat bellen. Sjaak besluit te vertrekken en ziet dat de man dat ook doet. Wordt hij achtervolgt?

Nee. Op de A9 haalt die man hem in en neemt een andere afslag. Gelukkig. Thuis belt hij naar het bureau. “Meneer De Rooi?”
-“Spreekt u mee.”
“Bent u al wat wijzer geworden?”
-“Ik heb een vermoeden wie hier achter zit.”
“Waarom belt u mij niet?”

---

– “Omdat ik het bijna zeker weet.”
“Vertel me dan wat u denkt te weten. Ik kom nu naar het bureau.”
– “Doet u dat maar niet.” De verbinding word verbroken.

Niet veel later staat De Rooi bij hem op de stoep. “Mag ik binnenkomen?”
– “Gaat uw gang. Koffie?”
“Nee, ik blijf niet lang. Ik ben iets op het spoor en hoop dat ik ongelijk heb. Het zou kunnen dat de infiltrant de auto een sein gaf.”
– “Wat! Corruptie binnen uw team?”
“Ja. U zette mij aan het denken toen u vroeg of ik hem had ondervraagd. Hij gedroeg zich vreemd. In plaats van bij hen te spioneren, deed hij dat voor hen, bij ons. Bas stond toch op het terras op het punt om u ergens over te gaan inlichten? Eén en één is twee. De infiltrant is de verrader.”

---

“En nu?”
– “Ik vermoed dat hij door heeft dat ik hem in de smiezen heb. Maar ik doe of mijn neus bloedt.” Van Rooi ziet een koffer staan. “Gaat u op reis?”
“Als ik toestemming krijg van mijn baas wel. Heb nog zat verlofdagen en ben er wel aan toe.”
– “U zou in de buurt blijven. Maar vooruit, dan komt u op andere gedachten. En u kunt toch verder niets doen.”

De rechercheur loopt richting zijn auto. Er klinken twee schoten en hij valt zwaargewond op de grond. Als de ambulance arriveert is het al te laat. Hij is doodgebloed. Zijn laatste woorden waren: “Van Damme”.

Er komt een auto langs gereden, die Sjaak bekend voor komt. Ook de chauffeur, met baseballpet op, herkent hij. De potige kale man, van laatst, aan de dijk! De man kijkt hem doordringend aan.

---

Sjaak gruwelt ervan. Hij is niet snel bang, maar nu heeft hij toch knijp. In korte tijd, zijn in zijn bijzijn, al twee mensen van het leven beroofd. Als hij maar niet het volgende slachtoffer word.

De volgende dag kaart hij bij zijn baas aan dat hij erdoorheen zit en met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd met verlof wil.

“Eigenlijk komt dat slecht uit, maar na je relaas te hebben gehoord, heb ik er begrip voor. Je hebt me in al die jaren nog nooit in de steek gelaten en ik kan zolang een uitzendkracht inzetten. Ik leer hem zelf wel de basiskneepjes van het vak. Kom goed tot rust. En niet te veel achter de vrouwtjes aan he!”

“Tof van je. Bedankt voor je begrip. Je bent de beste baas die ik ooit had.” “Maak maar dat je wegkomt.”

---

Op het bureau is het nieuws als een bom ingeslagen. Merks valt op dat Van Damme als enige kalm blijft. Hij herinnert zich maar al te goed dat Van Rooi hem verdacht van corruptie. Hij zet zijn mobiel op opname, stopt het in de binnenzak van z’n colbert en volgt hem naar het toilet. Aan het urinoir naast hem, lokt hij hem uit de tent. “Zijn we daar ook vanaf!”
Van Damme mompelt: “Dat werd tijd.”
– “Ja, dat lucht op!”
Verbaasd kijkt hij hem aan. “Oh, je bedoelt…”
– ”Een volle blaas is niet fijn! Wat bedoel jij dan? Toch niet van Rooi zeker? Je bloost!” Na het dichtritsen van zijn broek trekt hij een pistool. Merks is hem te snel af en richt zijn pistool net iets eerder op van Damme.
“Hierop gebaseerd ben je betrapt!”
– “Bewijs dat eerst maar eens!”

---

“Geen probleem!” Merks geeft zijn mobiel aan de bureauchef die net binnenkomt. Die beluistert onmiddellijk de opname. Terwijl hij Van Damme arresteert zegt hij: “Dus toch! Van Rooi had mij ook in vertrouwen genomen. Ik kon het niet geloven. Overloper! Meekomen jij.”

In een hotel rinkelt ineens Sjaak’s mobieltje. Het is een onbekend nummer, dus neemt hij op met “Hallo”.
– “Meneer Vonk?”
“Ja?”
– “U spreekt met Merks, een collega van Van Rooi. Goed nieuws: er is een bekentenis van de infiltrant en daardoor is een hele bende eindelijk opgepakt. De komende vijfentwintig jaar zitten zij allen achter slot en grendel. U hoeft dus niet langer weg te blijven voor hen.”
“Fantastisch! Maar ik heb hier een nieuwe liefde gevonden en ga hier settelen.”
– “Veel geluk gewenst!”
“Dank! Hoe ziet die infiltrant er eigenlijk uit?”
– “Kaal, potig en draagt een baseballpetje.”



 
Bovenstaand verhaal bestaat uit 16x140 woorden, met telkens het woord kalebas in delen verwerkt. Dat heeft te maken met deze uitdaging, die nog de hele maand juli 2020 loopt. Doe je mee?

Hartelijk dank aan @Dana, voor het redigeren.
Header Image by Rudy and Peter Skitterians from Pixabay

#140w#140woorden#uitdaging#juli2020