Brief aan Onbegrip.


Beste onbegrip,

Deze brief schrijf ik omdat we al veel eerder hadden moeten praten. We hebben vaker gepraat. Je onderbreekt me, luistert niet en bovenal begrijpt me niet. Vandaar deze brief. Lees het wanneer je tijd hebt, wanneer je er zin in hebt.
Terwijl ik deze brief schrijf zit ik in tranen.

Net heb ik boodschappen gedaan en de afwas. Het stelt niks voor, dagelijkse kost, maar ik ben bekaf. Ik ben moe van de indrukken in de winkel, de flessenautomaat die niet werkte, het personeelslid die heel kortaf deed en de mensen die treuzelden zodat ik niet snel aan de prikkels kon ontsnappen. Mijn ademhaling zit op niveau paniek. Een niveau dat ik meerdere keren per dag behaal, ook al doe ik niks anders dan anderen; ik ga gewoon naar werk, doe wat er van mij gevraagd wordt en thuis doe ik het huishouden. Het is achterlijk, gewoon belachelijk en totaal onnodig. Het is mijn leven momenteel.

Momenteel zie ik van alles kapotgaan. Ik heb te lang in een werksituatie gezeten die voor mij niet werkt, tot ik afgelopen december overspannen thuis kwam te zitten. Ik dacht het prima aan te kunnen. Tot mijn man dat ongeluk kreeg en ik in een keer geen auto had en het gezeur om geld begon. Het zou voor mij niet zoveel voor moeten stellen; vooral voor mijn man was het verschrikkelijk. Ik zou niet mogen klagen, want ik ben maar verwend met m’n eigen autootje. Maar daar begon het. Ik begon in te storten. Of nee, ik begon te zien dat ik ruim een halfjaar lang aan het instorten was. In een keer blokkeerde ik. Ik werd vergeetachtig, rommelig, in de war, begon aan alles te twijfelen en mijn zelfbeeld zakte nog verder onder het nulpunt. De eerste paar dagen dat ik overspannen thuiszat, heb ik eigenlijk alleen maar strak voor me uitgekeken. Ik verslonsde mijn eigen verzorging; had geen zin meer om mijn haar netjes te doen, of make-up te dragen. Op momenten dat ik mezelf zag in de spiegel, herkende ik mezelf niet. Ik zag een opgebrande, depressieve persoon die bezweek onder de druk.

Toen kwam het weekendje weg. Eerlijk gezegd vanaf het eerste moment dat ik hoorde dat we zouden gaan was er al stress. Iedereen zou meegaan, ook mijn schoonzus, voor wie ik het volgens mij nooit goed kan doen. Hoe hard ik ook probeer. Ik begon helemaal voor me te zien hoe ik op mijn tenen zou lopen en thuis helemaal uit zou barsten. Dat mijn man alle shit over zich heen zou krijgen terwijl hij veel beter verdient dan dat. Hij is een schat, hij is geweldig en hij is veel meer dan dat. Hij is meer dan ik ooit in woorden zal kunnen uitdrukken.

En helaas voor mij kwam mijn angst uit. Het hele weekend op mijn tenen lopen, terwijl ik fulltime in angst en paniek moet leven, mijn hersenen de prikkels niet aankunnen en ook nog proberen een goede gesprekspartner te zijn die niet iedere keer op oude dingen terugkomt was veel te veel. Het spijt me dat ik het weekend heb verpest en zeg niet dat het niet zo is, want ik weet wel dat ik dat heb gedaan. Het spijt me, het spijt me vreselijk.

Zo heb ik van veel meer dingen spijt. Het spijt me dat ik faal op sociaal gebied; dat het lastig is om met mij te praten, omdat ik die vaardigheden niet goed genoeg ontwikkeld heb. Dat ik geen super interessant leven heb. Dat ik niet makkelijk vertrouw, niet makkelijk over mijn diepste gevoelens praat. Soms lijkt het zo, maar dat is een masker. Omdat ik bang ben dat wanneer ik mezelf blootgeef, laat zien wie ik echt ben, niemand nog met mij om wil gaan. De persoon die ik daadwerkelijk ben is niet een positieve blije persoon. Dat ben ik niet. In werkelijkheid ben ik ontzettend onzeker en bang. Wantrouwend. Bang dat mensen het slecht met mij voor hebben, of mijn vertrouwen willen winnen om

datzelfde vertrouwen vervolgens keihard met de grond gelijk te maken. Te veel mensen hebben mij beschadigd, waardoor ik amper nog mensen toe durf te laten.

Enkele momenten heb ik echt wel geprobeerd mij te openen. Maar dan werd ik onderbroken of overruled met verhalen over andere mensen, waardoor je vergat dat ik met veel moeite mijn hart aan het uitstorten was. Dat ik mijn masker afzette zoals je graag wilde. Dat beschadigde mij. Ik voelde hetzelfde teleurstellende gevoel als jaren geleden. Ik kreeg een diagnose, er werd beweerd dat men mij zou helpen, maar uiteindelijk ging het ten koste van mij. Er werd niet naar mij geluisterd, maar naar mijn omgeving. De hulp die voor mij bedoeld was, hielp mij om zeep. Jaren geleden, heb ik al snel ontdekt hoe de wereld in elkaar zat. Je leert snel als je iedere keer alleen zit, geen vrienden hebt en ontweken wordt.

Ik begon mezelf te zien als een infectie, een parasiet. Ik was niet normaal en dat ik medicijnen kreeg, men nog met de mentaliteit leefde dat autisme iets is waar je overheen kan groeien, verergerde het gevoel dat ik ziek was en geneesbaar. Hierdoor heb ik denk ik nooit kunnen accepteren dat ik ben wie ik ben. Ik hoopte namelijk al die tijd dat ik handvaten kon vinden om normaal te worden, dat ik überhaupt normaal kon worden. Daar heb ik hard mijn best voor gedaan, voor gevochten. Ik volgde therapie na therapie, training na training en nog een hele hoop cursussen. Maar er gebeurde niks. Ik werd depressief op zeer jonge leeftijd en iedereen vroeg zich af hoe het in vredesnaam kon en bovenal, mijn arme ouders. Iedereen had medelijden met hen. Het was voor hen alsof ze met een monster moesten leven, zo deed men het voorkomen. Ik zag het wel, als er visite kwam. Dan hoorde ik ze wel fluisteren “houd je het nog vol met Erieka?” alsof ik een last was. En zo voelde het ook. Dat versterkte suïcidale gedachten. Ik dacht allerlei ideeën uit, maar voerde ze nooit uit. Als ik mezelf van kant zou maken, zouden mijn ouders er namelijk ook last van hebben en dat wilde ik niet. Ook was er nog steeds dat heel klein geworden sprankje hoop dat ik nog steeds normaal kon worden, dat mijn leven beter kon worden.

Jarenlang leken dingen stabiel te gaan. Het was niet goed, maar werd niet slechter. Alsof mijn leven niet ingewikkeld genoeg was met autisme, depressie en angststoornis, kreeg ik religie ook nog op mijn bordje. Echt, ik heb het geprobeerd. Ik heb mijn best gedaan. Ik ging iedere zondag naar de kerk, zong de liederen hardop mee, ging naar catechisatie en bad iedere avond. Ik bad eigenlijk altijd hetzelfde. Ik wilde normaal worden, ik wilde gelukkig zijn en ik wilde geen last zijn.

Na dat jaren zo volgehouden te hebben, begon ik me af te vragen of het wel zin had. Ik deed zo hard mijn best en er gebeurde niks. Op een gegeven moment dacht ik dat God het gewoon te druk had. Er leven zoveel op de wereld en er was vast iemand, of meerdere mensen, die het harder nodig hadden dan ik. Het gevoel dat het nog zin had begon te verdwijnen. Ondertussen belandde mijn toenmalige relatie in zwaar weer en werd ik gedumpt, mijn favoriete kat die in mijn pestverleden er iedere dag voor mij was – de enige voor wie ik geen last was – overleed, mijn cijfers op school daalden en vermoedelijk zou ik niet over gaan. Ik zag letterlijk alles waar ik toen voor leefde instorten. Ook kreeg ik te verduren dat ik een belangrijk deel van het leven van iemand die mij heel dierbaar is, verziekt heb.

Doordat het vermoeden er was dat ik niet zou over gaan, moest er actie ondernomen worden.
Mijn toenmalige mentor verwees me naar een traject dat mij mogelijk de goede kant op zou helpen zodat ik alsnog diploma’s zou kunnen halen. Het zou echter wel betekenen dat ik mijn havo niet af zou maken, maar direct naar mbo zou gaan. Mijn ouders waren er niet blij mee. Ze vonden het zonde dat ik mijn havo niet af zou maken en dat hebben ze toen ook goed laten merken. Nu ik er achteraf naar kijk, kan ik daar enigszins begrip voor hebben, maar ik keur het nog steeds niet goed dat ze me toen niet gesteund hebben.

Worstelend met gevoelens van falen, het rouwproces van mensen en dieren die ik kwijtraakte omdat ze doodgingen of mij dumpten, ben ik het opleidingstraject aangegaan. Ik moest eerst allerlei testen doen. Werkelijk waar alles werd onder een vergrootglas geplaatst. Dat was zwaar en confronterend. Toen kreeg ik te horen dat mijn ene oma alvleesklierkanker had. Ze zou nog maar drie maanden hebben. De resultaten van de onderzoeken leden er behoorlijk onder; ik was afgeleid, afwezig en emotioneel. De kleinste dingen deden me in tranen uitbarsten.

Ondertussen waren er ook nog mensen in de kerk die het lef hadden te zeggen dat alles met een reden gebeurt. Toen is er in mij iets geknapt en wilde ik niet meer naar de kerk. Ik wilde het liefst alle banden met God breken, Hem laten voelen wat Hij mij liet voelen. Ik ben boos geweest, eigenlijk ben ik dat nog steeds, verdrietig en teleurgesteld. Wáárom kon Hij mij niet normaal maken?! Waarom kreeg ik diagnose na diagnose, pil na pil, probleem na probleem? Was het nog niet genoeg?! Ik begon God te zien als onverschillig; ik dacht dat Hij niets om mij gaf. Ik heb nog met mensen gepraat, maar dat hielp amper. Op een gegeven moment heb ik op het punt gestaan om belijdenis te doen. Misschien als ik dat deed, dat Hij me beter zou behandelen. Maar het was niet waar. Toen het moment kwam dat ik er klaar voor leek te zijn, pakte Hij mijn oma af.

En ik begon verbanden te zien. Eerst gaf hij mij de liefde van mijn leven, vervolgens pakte hij mijn oma af. Ik mocht een opleiding doen, maar eerst moest ik mijn hele toenmalige leven zien instorten. Ik begon weer boos te worden op God. Dat ben ik nog steeds, want ik kan het simpelweg niet meer plaatsen. Ik zou zo graag de voordelen zien die een religie heeft, maar ik zie slechts een macht die in eenvoud geeft en in drievoud neemt. Daar ben ik eerlijk over en daar mag je van vinden wat je wil.

Momenteel zoek ik ook hulp. Het is niet gezond dat ik in de auto zit en de gedachte voorbij vliegt dat het niet zo erg is als ik een word met de vangreel. Dat ik het gevoel heb dat ik beter dood kan zijn en het vreselijke schuldgevoel dat volgt zodra ik mezelf confronteer met het handjevol mensen dat nog wel om mij geeft, de mensen van wie de ik de harten zou breken als ik mijn gedachten werkelijkheid zou laten worden. Al die mensen verdienen namelijk beter, zoveel beter.

Ik vind het hulp zoeken heel erg eng. Alles in mijn lichaam schreeuwt dat ik het niet moet doen, omdat het onbekend is, eng, er een kans is dat er artsen zitten die in pillen denken en dat men niet luistert. Ik ben bang om mijn muren af te moeten breken, te laten zien wie ik echt ben.

Dus, onbegrip, als je niet begrijpt waarom ik niet meer aan alles deelneem. Dat ik een keer niet de telefoon opneem, niet meekom met verjaardagen of op visite, wanneer ik even niet wil praten, geen behoefte heb aan contact; dit is de reden.
Je hoeft het niet te begrijpen, want ik begrijp het ook niet altijd.

Erieka.