Traumaverwerking is als het afpellen van een ui


De afgelopen tijd heb ik alles wat ik de afgelopen jaren leerde gebruikt om te blijven staan, nog meer angsten aan te gaan en vooral ook om in de traumabehandeling die ik nog altijd volhoud, zoveel mogelijk te behalen. Het is als een enorme ui die laag voor laag wordt afgepeld. En hoe verder ik kom, des te eenzamer voel ik me.

Omdat niemand dit snapt. Zich kan voorstellen. Ik begin het zelf pas net te snappen. Hoe kunnen mensen dan begrijpen dat ik hier nu nog steeds mee bezig ben? Er niet een keer maar klaar mee zou moeten zijn. Terwijl ze zich niet kunnen indenken hoe dat klaar er dan uit zou zien. Ik wist en weet niet eens hoe dat eruit zal zien. Ja, wanneer ik mijn leven kan leiden zonder nachtmerries, herbelevingen en triggers. Alle dingen doen die ik had kunnen doen als mijn wieg ergens anders had gestaan. Op een liefdevolle(re) plek.

Ik begrijp inmiddels een hele boel. Niet alleen met mijn hoofd, ik kan het ook steeds beter voelen. En die pijn daarvan verdragen. Het niet verdragen, en een oude coping gebruiken om hier mee om te gaan zou een stuk 'makkelijker' zijn. Gewoon maar niets voelen bijvoorbeeld, dan is er ook niets uit te houden. Maar ik moet altijd naar de lange termijn blijven kijken, mijn ratio aanspreken en mezelf iedere dag voorhouden wáárom ik dit doe en wat ik wil bereiken. En hoe ik mijn leven wil inrichten. Hoe ik de dagen ga doorkomen, wil doorkomen. Hoe ik ze nu doorkom en waar ik naartoe wil. En dat ik DAAROM nu deze pijn aanga. Het brandende huis in ga. In het diepe spring. Totaal tegennatuurlijk. Maar zó nodig. Het vergt zo f*cking veel moed, maar meestal mag ik mezelf zó erg niet, dat ik niet kan zien hoeveel durf ik steeds weer uit mijn tenen moet halen.

Vermijden houdt pijn in stand

Nog steeds is er de verwoestende impact van wat pedofielen met een sadistische inslag bij me aanrichtten. Mensen die me zorg hadden moeten bieden schonden vanaf mijn peuter/kleutertijd mijn lijf. Lijfje destijds. Dat wil ik altijd vermijden. Niet aan denken. Dat ik natuurlijk me nooit had ik kunnen verzetten, en dat een kinderlijf dat natuurlijk helemaal niet aankan. Maar vermijden houdt pijn in stand, dat weet ik inmiddels. O wat weet ik het allemaal goed. Dat moet ik me dan beseffen. Dat we het niet hebben over het lijf dat ik veracht en dat best wel kapot gemaakt mag worden, want ja het was allemaal mijn schuld en allemaal verkeerd in mijn hoofd opgeslagen. Maar dat het gewoon een klein kinderlijf was. Nog kleiner dan de lijfjes van mijn kinderen nu, en die vind ik nog steeds klein. Dat moet ik onder ogen zien. En hoeveel pijn dat besef doet, want het is oneerlijk en het maakt machteloos. Het is makkelijker een reden te hebben die aan jou ligt, want de machteloosheid en pijn van de waarheid is niet uit te houden. Toch moet ik die uithouden.

Misschien nog wel erger dan dat wat ze met mijn lijf deden: wat ze met mijn hoofd deden. En dat mijn hoofd zoveel uitwegen bedacht zodat ik helse pijn kon doorstaan, en ontredderende doodsangst. Ik denk echt dat dit moeilijk voor te stellen is. Zelfs ik ben elke keer als ik hier kan komen in de therapie, zonder een van mijn uitvluchten te gebruiken (dissociatie, niets meer voelen of mezelf haten), volledig in shock. In shock van hoe erg dat voelt, dat wat ik als kind niet kon voelen. Die uitvluchten die ik zojuist benoem, dat ging niet bewust, dat waren automatismes geworden na jarenlange mishandeling en indoctrinatie.

Ik kan hier sinds kort komen. Bij dat waar ik toen niet bij kon blijven en moest vluchten. De kern van de ptss. Ik tackelde mijn zelfhaat voor de zomer. De woede die in mijn hoofd raasde, haat die ik moest voelen zodat ik niet zou voelen hoe erg het was dat me zoveel pijn werd aangedaan. Een bal van vuur in mijn hoofd, in mijn borstkas, op momenten dat ik doodsangst onderging. Stikkend onder een mannenlijf, met een stekende pijn in mijn onderlijf. Pijn en doodsangst die ik alleen in stilte kon uithouden door zo kwaad op mezelf te worden. In stilte schrijf ik, omdat ik anders werd gestraft. Het nog erger te verduren kreeg. Afgericht was ik. Bang om iets verkeerds te doen. Het goed willen doen maar alles was fout, zieke spelletjes speelden ze met mijn hoofd. Ik had het nooit goed kunnen doen, maar dat wist ik toen niet. Weet ik nu wel, doordat ik durf te kijken naar wat me is aangedaan. Ik ging door een trauma waarbij ik dit zo erg heb gevoeld, die steeds terug kwam in mijn herbelevingen. Ik ging er naartoe en deed exposure en emdr en hield het uit. Ik voelde de niet uit te houden pijn en machteloosheid zonder ook maar één van mijn vroegere coping toe te passen. Met de hulp van een goede therapeut natuurlijk, want het is heel hard werken en zo iemand weet tenminste wat er in je hoofd gebeurt. Zo kon ik ervaren hóeveel pijn ik had gehad, dat kind van toen. Hoeveel angst en paniek. Dat zelfhaat zo misplaatst is voor dat kind. Dat ik was. Ik kon gaan zien waarom het nodig was. Maar dat nu niemand me slaat of op een andere manier straft wanneer ik huil.

Het is als een ui. Ik weet steeds niet eens wat eronder zit, onder elke laag die ik af pel. De zelfhaat. Hij was niet meer nodig. Ik ging niet dood als ik de zelfhaat niet voelde wanneer ik mijn trauma's aanging. Maar zelfhaat was niet het enige thema. Ik versloeg er al veel: angst om te huilen, te schreeuwen, te voelen. Ook een belangrijke: schaamte. Pas nu kan ik mijn therapeut enigszins redelijk snel vertellen, inhoudelijk, over de trauma's. Zonder me compleet dood te schamen. Ik kan een enorme blokkade op details ervaren en heel veel moeite hebben het uit te spreken, dit heeft een andere redenen. Ik weet en voel nu eindelijk dat ik me niet hoef te schamen. Dat het hun schaamte is, hun viesheid, hun perverse ideeën. En dan nog kan ik het voelen, maar met mijn hoofd kan ik dat dan aan de kant zetten. Ik tackelde de schaamte. Door trauma's aan te pakken met gebeurtenissen waar ik enorm veel schaamte heb gevoeld. Daarom kón ik lang niet praten. Ik voelde de schaamte die ik zelfs destijds voelde over mezelf. Maar ook daar ging ik door, hield ik uit zonder zelfhaat.

Walging. Enorme walging had ik over mezelf. Ook een laag van de ui. Die zorgde ervoor dat ik in the end altijd mezelf smerig en vies vond. Er was altijd een 'ja maar'. Dan kon ik bij het behandelen van een trauma eindelijk de gepaste gevoelens van toen voelen. Dan kon ik het zien voor wat het was, heel erg, maar het was geweest. En dan nog voelde ik die vreselijke walging van de meest vreselijke details die ik maar niet aan kon gaan. Want ik walgde er zo erg van, ik dacht dat ik gek zou worden. Zou flippen. Dus ik ging de walging vol aan, vlak voor de zomer. Ik voelde dat ik bleef leven, er niet dood door zou gaan. Ik hoefde niet mezelf erom te haten. Ik moest het met mezelf uithouden. Ik brak volledig, stond weer op. En deed wat dingen - understatement - die goed voor me waren. En ik kon inmiddels veel van wat ik had geleerd op 'kleinere' angsten en triggers toepassen, alleen. Ik was zó klaar met dat moerras waar ik steeds maar weer in zink: ik besloot dat ik elke laag van de ui af zou pellen tot er geen ui meer over was. Nou heb ik kortgeleden groente geoogst in de schooltuin van mijn kind, en daar zaten zulke enorme uien tussen. Met zo'n enorme ui heb ik te maken.

Dit deed ik dus allemaal de afgelopen tijd. Nog eerder had ik al afgerekend met constante dissociatie, mijn harnassen, mijn vermogen niets meer te voelen bij angst of wanneer nodig (en niet nodig, want al die manieren die je ooit hielpen gaan tegen je werken als je lijf en hoofd nog altijd denken ergens in de hel te zitten) maar die klachten zijn er nog. Die typische ptss klachten. Herbelevingen, nachtmerries, lichamelijke herbelevingen, triggers. En dan is het de kunst te blijven kijken naar je vooruitgang, want je kunt niet meer terug. Elke keer als je er al aan denkt naar je angst te kijken, voel je alsof je tegen de muur vliegt van angst. Want er is geen coping om te beschermen. Na de vakantie merkte ik hoe ik mijn harnassen echt volledig kwijt was. Iedere keer als ik bij mijn therapeut kwam, die ik vertrouw en die ik al een hele tijd zie, zei ik: ,,Ik moet hier echt weg! Ik ben zo bang! Ik kan niet meer denken! Ik wil dit niet!"

En o, wat frustreerde me dat. Want ik kon het toch wel? Ik was al zoveel aangegaan. En nu vloog ik meteen tegen het plafond: ZO bang was ik dus als kind. Ben ik nog steeds. Pure doodsangst. En dan jezelf dwingen het tegenovergestelde te doen: doorgaan. Doorgaan met behandelen. Elke keer na een sessie, wanneer ik precies weet hóe we verder moeten, dit in een mail gooien en op versturen klikken. Erbij schrijvend: ,,Ik kan mijzelf volgende week wel wat aandoen dat ik dit nu schrijf, maar zo kom je het meest bij mijn doodsangst en werkt geen enkel harnas, dus dat moet je doen om me te helpen."

En zo kwam ik, laag na laag, bij de grootste angst. Dat alles wat ik TOEN binnen MOEST houden, eruit komt. Dat ik dan helemaal doordraai, flip en moet worden afgevoerd. Ik had in de kinder- en jeugdpsychiatrie al mogen meemaken hoe ik in het geval van een paniekaanval naar de isoleercel werd gesleept door 4 man, wat me zo triggerde dat ik me hevig verzette tot ik werd platgespoten wanneer ik het uitschreeuwde. Vervolgens gebeurden er nog ergere dingen, dus het was van belang om mezelf ALTIJD onder controle te houden. Daardoor ik bleef angstvallig uit de buurt van deze complete machteloosheid. Vooral onbewust, en dat maakt het zo moeilijk dit te tackelen. Ik wist wáár ik moest zijn, maar kon het niet. Ik was ervan overtuigd te worden platgespoten, en dat ik gek zou worden.

Maar ik flipte dan eindelijk deze week, na ruim 2,5 jaar traumatherapie. Door mezelf met alles wat ik heb geleerd tot het uiterste te hebben gepusht. Ik explodeerde in plaats van dat ik implodeerde. Ik voelde erna complete shock, een urenlang onvermogen tot spreken, ik kreeg tegelijk. een heleboel lucht en ook weer niet. Ik wist niet meer wat ik moest voelen. Nog steeds niet. Ik viel die avond flauw bij de sportclub van mijn kind, het werd ineens zwart voor mijn ogen. Maar ik stond ook weer op. Ik ben nog steeds niet gek geworden, opgesloten of platgespoten. Maar ik vind het doodeng. Nog steeds.