×

Yoors


Inloggen
×

Yoors











Het ravijn en de trap omhoog.

Het ravijn en de trap omhoog.


We waren aan het wandelen, met z’n drietjes. Gewoon gezellig, alles was rustig. We hadden een mooi uitzicht en keken soms kilometers ver. Dan zagen we bijzondere bomen en in de lucht vlogen mooie vogels.

 Zomaar uit het niets kwam daar dat ravijnin zicht. De grond begon wat af te lopen maar we konden niet meer terug. We liepen voorzichtig en zorgde dat onze zoon niet te dicht bij de rand liep. Als eerste viel mijn man. Ik volgde al snel in een poging om hem op te grijpen. Gelukkig hadden we toevallig touwen bij ons dus toen we op een plateau terecht kwamen konden we al snel die touwen ergens aan vastmaken. We maakte ons vast en hoopte dat de touwen ons zouden houden.

Al vrij snel was er geen houden aan begon dat plateau onder ons af te brokkelen. Ik zat goed vast maar het touw van mijn man bleek niet sterk genoeg te zijn. Het touw brak en hij viel helemaal naar benden. Op de harde rotsen. Zo snel als ik kon en zo voorzichtig mogelijk daalde ik af. Toen ik bij hem kwam zag ik dat hij ernstig gewond was. Hij was zo gewond dat ik alleen nog maar bij hem kon blijven in de hoop dat hij niet te veel pijn had en dat zijn lijden niet te lang zou duren. Ik zei dat ik van hem hield en hij noemde mij een kanjer. Toch gaf mij eerder dan mij lief was zijn lichaam het op.

Daar stond ik dan. Onze zoon was ook al beneden gekomen. Gelukkig raakte hij niet gewond maar nu stonden wij beiden op de bodem van dit afschuwelijke ravijn. Ik wist dat we weer de weg omhoog moesten zien te vinden. Ik wist ook dat het niet makkelijk zou worden. Toen we afscheid genomen hadden van papa gingen we op zoek naar die weg omhoog.

Uiteindelijk vond ik die weg omhoog. Deze weg was een steile trap. De trap leek een eindeloze lengte te hebben. Ik had geen keuze en ik begon te lopen. Aan het einde van de trapmoest iets zijn. Iets waardoor we wisten dat we het gehaald zouden hebben.

De eerste treden waren loodzwaar. Ik pakte onze zoon op en begon te klimmen. Stap voor stap, tree voor tree. Gelukkig zit aan beide kanten een leuning waaraan ik mijzelf goed kan vasthouden. Op een bepaald moment kan onze zoon weer zelf lopen. Ik zet hem voor mij neer en loop achter hem. Klaar om hem op te vangen als hij valt, wanneer hij valt.

Zo af en toe gaan we op de trede van de trap zitten en kijken we achter ons. We zien de plek waar papa gevallen is. Ter herinnering aan deze plek had ik een schep aarde en wat stenen in mijn rugzak gedaan. We kijken uit over het landschap. Onze zoon ziet de bomen, de planten en de vogeltjes. Wanneer we weer verder kunnen draaien we ons om met het gezicht gericht op het einde van deze eindeloze trap. Elke stap, elke tree brengt ons verder uit dat ravijn maar ook verder van mijn man, van de papa van onze zoon. Maar die trap, die ons omhoog brengt, heb ik gevonden. Hoe lang deze eindeloze trap zal zijn weet ik niet maar ik weet wel dat er aan het einde van deze trap iets wacht. Vaak zal ik over de rand van dat ravijn kijken, achterom kijken, want zonder onze geschiedenis is er geen toekomst en zonder onze geschiedenis ontken ik een deel van het leven en zijn van onze zoon.