Appeltjes en ananas

Appeltjes en ananas


settings
  • Instellingen
  • Positie

    Automatische scrolling

Het is avond, de gordijnen heb ik gesloten en ik wil me net op de bank achter de buis neer laten vallen wanneer de deurbel gaat. Mijn kont heeft de kussens nog niet geraakt, dus ik hoef me niet omhoog te hijsen, maar erger me toch rot. Wie kan dat nu wezen? Geheel op mijn hoede open ik argwanend als altijd, de deur. Een vrouw met een ietwat donkere huidskleur en een vreemd gewaad kijkt me met donkere ogen aan. 

'Ik mogen binnen komen?'

Zonder mijn antwoord af te wachten stapt ze al over de drempel. Een wildvreemde allochtone vrouw dringt mijn huis binnen. Ik weet niet wat ik moet zeggen, niemand komt ooit op bezoek. Niemand komt ooit verder dan de voordeur. Collectanten mijden mijn woning, de enkele Jehovagetuige die het lef nog wel heeft, sla ik met de wachttoren om de oren. Tegen Gaston van de postcodeloterij roep ik altijd door de intercom, gooi de cheque maar in de brievenbus en geef de bloemen aan de buurvrouw. De meteropnemer laat ik niet eens binnen. De onterechte huizenhoge aanslagen neem ik voor lief. 

 De vrouw loopt door de gang en blijft even in de deuropening van de keuken staan. 

Ik zetel mijzelf op mijn troon, aan de kop van de keukentafel, intussen haar scherp in de gaten houdend.

Haar schuifelende gang brengt haar naar de stoel recht tegenover mij. Haar lach klinkt tintelend, haar stem is zacht, als een lentebries. Bevallig gaat ze zitten. Aarzelend begint ze haar verhaal te vertellen. Hoe ze hier jaren geleden naar toe gevlucht is, onzeker over alles, onzeker over haar veiligheid, haar toekomst, of ze onderdak kon krijgen, of ze haar kinderen kon voeden. En over hoe ze de rest van haar familie miste. Ze was tijdens de vlucht zelfs twee van haar dochters kwijt geraakt, van haar man wist ze niet of hij nog in leven was. 

Hoe meer ze vertelt, hoe beter ik haar versta. Wanneer ik dit realiseer, ga ik erop letten. Haar kromme zinnen worden recht. Het valt me niet eens eer op, dat ze niet ABN spreekt. Ze praat als Brugman, beter zelfs, vloeiend rollen de volzinnen uit haar mond. Het is aangenaam om naar haar te luisteren, haar accent is een streling voor mijn trommelvliezen. Haar opgewektheid ondanks de vele tegenslagen die haar leven gekend heeft, ontroert me, mijn bewondering groeit.

Plots reiken haar knokige vingers over de tafel naar mij. Haar rimpelige handen strelen mijn zachte fluwelen huid, haar ogen doorboren de mijne.

'Bedankt, heel veel duizenden malen en keren bedankt. Het was heerlijk. Alsof er engel over mijn lippen plasten.'

Ik trek geschrokken mijn handen uit de hare. Wat bazelt ze nu ineens? Ik versta haar wel, maar begrijpen doe ik het niet. Niet dat ik me stoor aan het foutieve gebruik van de uitdrukking, maar wat was er zo heerlijk?

Voor het eerst onderbreek ik haar relaas, ik heb tot nu toe enkel en alleen maar geluisterd. 

'Wat bedoel je? Wat was er lekker.'

'Niet lekker, heerlijk! De koolzuur met appeltjes, ananas en kaas.'

'Koolzuur met appeltjes? Bedoel je soms appelcider of zo, maar dan snap ik die ananas en kaas niet?'

Ze schudt driftig haar hoofd. Haar donkere krullen dansen voor mijn ogen.

'Nee, nee, niet cider, maar kool die zuur is, uit de oven. Dat recept wat u mij gegeven heeft. Zo smullen. Zo dankbaar.'

'Maar lieve vrouw, ik heb helemaal geen zuurkoolrecept.'

Nu is het haar beurt om verbaast en verbolgen te kijken. Ze kleurt warempel tot diep in haar haarwortels en stamelt geschrokken dat ze bij de verkeerde deur aangebeld heeft. Duizenden excuses biedt ze aan, de arme vrouw schaamt zich te pletter en verklaart uiteindelijk:'Jullie Nederlanders lijken ook allemaal op elkaar.'



Beoordeel


Persoonlijk kanaal
Arbowetten bestonden toen nog niet
Gezondheid & Geest
mentale fysiotherapie
mentale fysiotherapie
Muziek, Kunst & Cultuur
Portret tekenen
 
×

Yoors


exit_to_app Inloggen