×

Yoors


Inloggen
Registreren
×

Yoors








Smikkelsmokkelwaar, deel 1


'We hadden daar net rechtsaf gemoeten.'

Ik bestudeer de wegenkaart die op mijn schoot ligt als een volleerd navigator. Mijn man bestuurt onze auto. Na een fiks aantal verwensingen geeft hij me voor zijn doen nog redelijk rustig antwoord.

'Dat had je even iets eerder moeten zeggen, ik mag hier niet keren.'

'Alsof je je anders wat aantrekt van regels.'

Hoewel ik dit zachtjes mompel, hoort de man, die anders nauwelijks kan luisteren, mijn commentaar dit keer feilloos. Zijn reactie is ditmaal duidelijk geagiteerd.

'Wat bedoel je daar mee?'

'Nou ja, aan mijn regels hou je je ook niet!'

Veel te fel komen die woorden nou uit mijn mond. Te lang heb ik het zwijgzame volgzame vrouwtje gespeeld. Altijd heb ik zijn nukken geslikt, het constante gemopper en zijn afblaffingen voor lief genomen, over me heen laten lopen, alsof ik er niet toe deed.

Nou, ik doe er wel degelijk toe en dat zal hij weten ook.

Ik smijt hem voor de voeten dat hij zich keer op keer niet aan de regels van de huwelijkse wetten heeft gehouden. Dat hij steeds maar weer te laat aan tafel verscheen. Steeds opnieuw een andere smoes had wanneer hij weer eens een nachtje niet in het echtelijke bed geslapen had.

Plots staat hij op de rem en parkeert hij de auto in de berm, buigt over me heen om mijn portier te openen.

'Eruit,' sist hij, 'Ik heb er meer dan genoeg van. Altijd die steken onder water, altijd die oude koeien uit de sloot dreggen, ik wil je niet meer, ERUIT!'

Geschrokken doe ik wat hij zegt, bedremmeld stap ik uit en zie met lede ogen toe hoe de auto met gierende banden wegrijdt. Zelfs mijn I-pod ligt er nog in. Ik heb hem noodgedwongen af moeten doen omdat ik bang was door de muziek afgeleid te worden, bij mijn navigatietaken.

'Je rijdt de verkeerde kant op,' roep ik hem nog na. Vergeefs.

Daar sta ik nou, met mijn grote mond, in de berm van de snelweg. Gebombardeerd tot zondebok, alsof ik het kon helpen dat onze tom tom vanmorgen de geest gaf. Alsof ik er wat aan kon doen dat mijn man, de superheld op sokken, te laf was om eventjes een paar metertjes spook te rijden.

Geen geld op zak, geen mobieltje, totaal aangewezen op mezelf.

Wat nu te doen? Lopend kom ik niet ver met mijn stilettohakken, ander schoeisel zit in de kofferbak van de auto. De stevige wandelschoenen die ik louter alleen maar aan mocht bij echte barre bergwandelingen. Voor de rest, droeg ik uitsluitend pumps, het liefst met een zo hoog mogelijke hak. Dat vindt mijn man nou eenmaal mooi. Vond mijn man mooi. Even voel ik een traan prikken. Nou niet gaan janken, mijn koppie erbij houden.

Dit is heus niet het eind van de wereld.

Toch?

Gelukkig mankeert er niets aan mijn duimen, ik steek er eentje op en nou maar hopen dat ik geen chipliftkaart nodig heb, je weet maar nooit met de huidige vooruitgang.

Na een klein uurtje stopt er warempel een ouderwets uitziende Amerikaanse slee. Eén van de geblindeerde ramen gaat zoemend naar beneden. Drie mannen zie ik zitten. Mijn hart klopt in mijn keel, mijn knieën knikken, mijn haren staan in kippenvelpositie. Snel sluit ik nog eventjes het bovenste knoopje van mijn bloesje. Nog een geluk dat ze de achterkant van mijn benen niet kunnen zien. Het sierlijk geraffineerde ragfijne lijntje wat over mijn zijde kousen loopt; een onweerstaanbare aantrekkingskracht.

Eén van de heren stapt uit, het is een vrij kleine man, ik toren op mijn hakken boven hem uit, hij houdt het achterportier voor me open. Mijn aarzeling wordt merkbaar niet op prijs gesteld. De kleine man grijpt me bij mijn nek, duwt me zo omlaag en ik voel hoe een andere man me naar binnen trekt.

'Karren Peter,' zegt de kleine, terwijl hij soepeltjes in de al weg rijdende auto naast me springt en de deur dichttrekt.

Ik zit klem tussen twee kerels op de achterbank. De man die mij naar binnengetrokken heeft ziet er een beetje vreemd uit. Het lijkt net alsof zijn te grote hoofd, niet past bij zijn gedrongen lichaam. Zijn benen zijn niet lang genoeg om de bodem van de auto te raken. Een lilliputter, denk ik, een dwerg. Hij grijnst naar me, ik zie een rijtje rotte tanden en de walm uit zijn mond doet me zelfs even naar adem happen. Hij ziet er niet bijster intelligent uit. Afkeurend kijkt hij naar mijn zedig gesloten bloesje.

'Doe effe wat knopies van je overhemd open mop, om mijn uitzicht wat aangenamer te maken, dan krijg jij een brokkie lekkere kruimige cacao met een laagje karamel omhuld met melkchocola van me.'

Het is een marsmannetje, schiet er door mijn hoofd, inwendig grinnik ik om die zotte gedachte, maar ik voel me helemaal niet grappig, enigszins benauwd schud ik mijn hoofd.

'Nee dank je, ik weiger van iemand die haute couture niet kan waarderen, iets aan te nemen.' Praat ik echt zo hautain? Hoe zullen ze mijn woorden opvatten? Een angstig gevoel grijpt me bij mijn strot?

wordt vervolgd





expand_less

Meest gestemde posts



expand_less

Recente posts