Dat zijn geen baterblekken


Dit ging hieraan vooraf:

 

“Jezus, ruik je dat Gerrit? Wat een meur…”

“Ik ruik niks, ik ben snibvekouwen.”

“Nou, wees maar blij dan. Alsof er een beerput open staat. Ik sta hier gewoon te kokhalzen.”

“Het zijn die nebschoobakers…. Haa.. HAAtsjie… Boed je die blekken in hun broek zien. Dat zijn geen baterblekken.”

“Wat voor vlekken?”

“Baterblekken.”

“O, watervlekken. Nee, duidelijk niet. Die dikke laat verdorie een heel spoor na. Moet je zien, het druipt gewoon door de pijp van z’n broek langs z’n been naar beneden.”

“Alleen die sjofele schoobaker heb er geen last van.”

“Die zag ik net een kan met koffie bij de stewardess in het keukentje halen. Maar hij heeft er zelf niet van gedronken. Zou die kwiebus soms een frats hebben uitgehaald en iets in de koffie hebben gedaan?”

Die laatste opmerking van Lou werd door de commissaris gehoord. 


© Dewaputra

 

Bovenstaande episode van het vervolgverhaal past in de 140 woorden uitdaging van februari van FrutselenindeMarge

 

Meeschrijven of reageren?

Log snel in! (het is gratis)