De verwisseling van Thomas met zichzelf


[ gezien door de ogen van Thomas ]

Met hoge snelheid raas ik op mijn motor over het nachtelijke asfalt. Plotseling, vanuit het niets, zie ik vlak voor me iets de weg op schieten. Ik probeer nog te remmen maar het is al te laat. Ik wordt gelanceerd en tegelijkertijd zie ik een rotswand op me afkomen. Dan wordt alles zwart.

Ik heb het idee dat ik zweef, ik bevind me in een naamloze vergetelheid. Na verloop van tijd hoor ik een stem die mijn naam roept, “Thomas, Thomas...”

Ik open mijn ogen en knipper tegen het felle licht van de zon. Een jongeman van een jaar of achtentwintig staat over me heen gebogen. Hij ziet er uit als een hippie in z’n witte gewaad en met z’n steile, bruine haar dat tot over zijn schouders hangt. Een dito baard siert zijn kin. Maar het meest opvallend zijn nog wel zijn ogen. Ze zijn als oneindig diepe bronnen waar een enorme warmte van uit straalt; telkens als hij me aankijkt, begint mijn lichaam op een aangename manier te tintelen.

Dan begint de jongeman weer te spreken. Hij spreekt een mij onbekende taal die ik vreemd genoeg blijk te verstaan.

“Thomas, sta op en wordt wakker. Herinner je”.

In een flits herinner ik me mijn ongeluk. De gedachten schieten door mijn hoofd. Wat is er gebeurd? Hoe kent die jongeman mijn naam? Waar ben ik? Ben ik dood?

“Je lichaam is niet dood, jij echter wel”, hoor ik de jongeman zeggen. “Maar daar kun je gelukkig wat aan doen. Sta op Thomas, wordt wakker en herinner je zodat je bevrijd zult zijn”.

Dan zie ik op enige afstand achter de jongeman een met stenen geplaveide weg. Zie ik het goed? Ik wrijf mijn ogen uit. Op de weg zie ik een zestal figuren te paard die uitgedost zijn als Romeinse soldaten. En langs de weg zie ik een stuk of wat kruisen..... waaraan mensen genageld zijn! Waar bevind ik me in hemelsnaam? En hoe ben ik hier in godsnaam terecht gekomen?

“Je bent je ‘dubbel’ geworden en je bevindt je hier onder mijn hoede in Judea, Thomas”, beantwoordt de jongeman mijn gedachten. “Niet in God’s naam, maar door een ongeval. Weet, dat Thomas ‘tweeling’ betekent in het Arameens".

"Je hebt je hoofd gestoten waardoor je bewustzijn zich naar je dubbel in een ander tijdsgewricht heeft verplaatst. Het is geen toeval dat die op datzelfde moment ook een ongeluk kreeg, waardoor zijn bewustzijn zich naar daar heeft verplaatst. Maar weet dat jij en je dubbel één en dezelfde zijn, Thomas. Sta op en wordt wakker! Herinner je wie je in werkelijkheid bent, eis de erfenis op die je beloofd is en je rechtens toekomt”.

Zijn woorden moeten nog even tot me doordringen. Als ik opsta, valt het me pas op dat ik in een soortgelijk gewaad gehuld ben als mijn metgezel. We bevinden ons aan de oever van een meertje. Het oppervlak van het water weerspiegelt mijn gezicht. Het is overduidelijk mijn gezicht dat ik in het water zie. Alleen is m’n gezicht nu iets dikker dan in werkelijkheid en mijn haar is langer en vettiger dan normaal. Ook al snap ik het nog niet, ik begin gefascineerd te raken door wat me aan het overkomen is.

Met een hoofdbeweging geeft mijn metgezel aan hem te volgen. Terwijl we zwijgend voortlopen, dringt het tot me door dat ik blijkbaar een ‘dubbel’ heb met wie ik van plaats ben gewisseld, een dubbel die ik bovendien ook nog eens zelf ben. Zou ik me dan het leven van mijn ‘dubbel’ kunnen herinneren, is dat wat mijn metgezel bedoelt? En als ik me mijn dubbel herinner, zou ik dan ook op twee plaatsen tegelijk kunnen zijn?

Ik vraag me af wie of wat ik hier ben en wat ik hier allemaal gedaan heb. En wat ik hier nog ga doen? En, wat zal mijn dubbel doen, daar in mijn plaats, en zal hij zich mij herinneren? Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer het me begint te duizelen.

“Blijf zoeken totdat je vindt Thomas. En als je vindt, zul je verward zijn en als je verward bent, zul je je verwonderen. En als je je verwonderd hebt, zul je overal boven staan en tot rust komen”, zegt mijn metgezel als we de weg bereikt hebben.

Ik verbaas me over de mysterieuze uitspraken van mijn metgezel. Hij lijkt me een zeer wijs mens en ik ben dan ook blij dat ik onder zijn hoede ben in deze vreemde situatie. We lopen in oostelijke richting de weg af. Ik huiver als we de kruisen passeren. Sommigen van de gekruisigden leven nog. Ik hoor ze kermen als we voorbij lopen. Als we de kruisen achter ons hebben gelaten, haal ik opgelucht adem.

Even later lopen we door de westelijke poort de stad Nazareth binnen. Mijn metgezel wijst op een gebouw aan de linkerkant van de weg. Het grenst aan een open ruimte, een soort plein waarop groepjes mensen met elkaar staan te praten.

“Het huis wat je daar ziet, grenzend aan het forum van Nazareth, is het huis van een tollenaar. Als je geld hebt Thomas, leen het dan niet uit tegen rente, maar geef het aan hem van wie je het niet terugkrijgt. Wie de wereld heeft gevonden en rijk is geworden, laat hem afzien van de wereld”.

Alweer zo’n mysterieuze uitspraak. Het Forum van Nazareth, dat doet me denken aan een forum in mijn andere leven. Een soort van Yoors maar dan in het pre-digitale tijdperk van mijn dubbel. Ik vraag me af of die dat digitale forum al ontdekt heeft? Zou ik trouwens in dit leven actief zijn geweest op dat forum van Nazareth?

Zou mijn dubbel dezelfde interesses hebben als ik?

Hoe dan ook, ik neem me voor om, zodra ik tijd heb, alle uitspraken van mijn metgezel op te schrijven zodat ik er later nog eens over kan mediteren.

Dan bereiken we het huis van mijn metgezel. Eenmaal binnen nodigt hij mij uit om samen met hem een kruik wijn te nuttigen. De wijn streelt mijn tong en is bijzonder zacht.  Maar ook behoorlijk koppig. Na een aantal bekers begin ik me duizelig te voelen. Mijn metgezel raadt me aan om even te gaan liggen en mijn ogen dicht te doen, om zo weer wat op kracht te komen.

Ik ga liggen en al gauw zak ik weg in een naamloze vergetelheid waarin ik het idee heb dat ik zweef. Na verloop van tijd hoor ik een stem die mijn naam roept, “Thomas, Thomas...”

Ik open mijn ogen en knipper tegen het felle licht van een TL-buis. Een man van een jaar of vijfenveertig staat over me heen gebogen. Hij ziet er vreemd uit in z’n rare witte tuniek en met z’n kale kop. Bovendien heeft hij geen baard, valt me op. Hij lijkt nog het meest op een Romein.

Dan begint de man weer te spreken. Hij spreekt een mij onbekende taal die ik vreemd genoeg blijk te verstaan.

“Thomas, wordt wakker. Herinner je wat er gebeurd is? Je was bijna dood maar gelukkig hebben we je weten te redden”.

Dan hoor ik de echo van de woorden van een vriend met lang haar en een baard. Het lijkt alsof ze uit een ver verleden komen. “Je lichaam was bijna dood, maar als je je herinnert, zul jij leven”.

Er gaat een schok door me heen. Ik zie weer zijn ogen en voel mijn lichaam tintelen. Dan herinner ik me plotseling iets nieuws. Terwijl ik mijn hoofd stootte, kreeg ik een motorongeluk! Weer hoor ik zijn stem: “Wie dood is, leeft niet en wie leeft, kan niet sterven”.

“Mijn lichaam was bijna dood, maar ik leef nog dokter”.


© Dewaputra

Post Scriptum

De aantekeningen van Thomas werden, naast tientallen andere unieke en waardevolle Koptische geschriften, in 1945 bij toeval ontdekt door twee boeren bij Nag Hammadi in Egypte, verstopt in een stenen kruik.