×

Yoors


Inloggen
Registreren
×

Yoors










Magie in Denpasar (2)

Magie in Denpasar (2)


Deel 1 gemist? Begin met lezen bij: "Voor het blok na een vreemde optocht".

GERED DOOR EEN OUDE PRIESTER-BALIAN

Het is kwart voor elf als ik het Chinees-Indonesisch eethuisje Rasa Sayang verlaat. Mijn hersens werken op volle toeren om een oplossing te bedenken. Hoe vind ik zo op stel en sprong, op dit late tijdstip, in een buitenwijk van de mij onbekende stad Denpasar, ergens onderdak voor de komende dertig uur? 


Terwijl ik zo in gedachten verzonken de deur open en de straat op stap, loop ik bijna een oude man ondersteboven die net op dat moment voorbijloopt. Hij draagt een witte sarong en een wit jasje met lange mouwen dat voorzien is van goudkleurige knopen. Zijn hoofd is getooid met een gesloten witte doek die zijn kruin verbergt. Zijn verweerde donkerbruin gezicht toont een landschap van groeven en rimpels. Hij heeft een een sikje van borstelig, grijswit haar en een dun, sprietig snorretje dat in dezelfde grijze tinten is uitgevoerd. Precies in het midden van zijn gerimpelde, donkerbruine voorhoofd en op z’n slapen kleven witte korrels rijst.

Terwijl ik hem in een reflex bij de arm grijp om te voorkomen dat hij valt, merk ik op dat in een vouw aan de achterkant van z’n witte hoofddoek een kleine beige-gele bloem zit gestoken. Ik put me uit in verontschuldigingen. Met handen en voeten maak ik duidelijk dat het mijn schuld was, ik had beter moeten uitkijken. Ik leg uit dat mijn gedachten er niet bij waren omdat ik er net achtergekomen ben dat (kijk op mijn horloge) over een uur en tien minuten niemand meer de straat op mag. En dat ik geen vervoer heb naar mijn hotel in Legian.

De oude man hoort me zwijgend aan, glimlacht even en buigt zich dan licht, terwijl hij zijn handen met gesloten en gestrekte vingers voor zijn borst tegen elkaar houdt, de vingertoppen op kinhoogte. Ik bewonder enkele prachtig bewerkte zilveren en gouden ringen (voorzien van schitterende stenen) die zijn vingers sieren. Zijn donkere ogen kijken me doordringend aan. Na een kort ogenblik van stilte zegt hij tenslotte: “Marie!”, en met zijn gerimpelde rechterhand maakt hij een uitnodigend gebaar om hem te volgen. De in het wit geklede oude man intrigeert me dus ik besluit om op zijn uitnodiging in te gaan.

We begeven ons in noordoostelijke richting te voet op weg over de Jalan Teuku Umar. De oude man in het wit en ik zijn nagenoeg de enige voetgangers, het is al bijna uitgestorven op straat. Gelukkig is het nog steeds droog. Uit het donker van een steeg klinkt het gegrauw van een paar honden dat plotseling eindigt in een hoog gejank. De vreemd aandoende stilte die op straat heerst, is opvallend. Ze wordt slechts een enkele keer onderbroken door een snel voorbijrijdende auto of een motor. Ik krijg ineens associaties met een Oudejaarsavond in Leiden, eind jaren zeventig, toen ik me ook rond dit tijdstip op straat bevond. Eenzelfde soort stilte. Een opwindende maar tevens onheilspellende stilte waarbij iets in de lucht hangt, met af en toe zo’n eenzame, aankondigende knal van een rotje en het geluid van een auto die bijna te laat is.

Zwijgend lopen we voort en ik luister naar het zachte ritimische geklepper van zijn versleten zwartleren sandalen op het stenen plaveisel van de stoep. Na een paar minuten slaan we rechts af, de iets smallere Jalan Pulau Tarakan in. Op de hoek ligt een hele berg kleine offertjes die overwegend dor lichtbruin en vaalgroen van kleur zijn. Ze liggen wanordelijk op een hoop voor een kleine bamboe stellage waarvan de top net wat hoger is dan ooghoogte.

We volgen de Jalan Pulau Tarakan gedurende een minuut of tien en slaan dan weer rechtsaf, de nog smallere Jalan Fajar II in. Het plaveisel van deze straat zit vol met gaten en kuilen en er liggen talloze plassen waardoor we ons zigzaggend moeten voortbewegen. Halverwege de straat stopt de man voor de versleten houten deur van een oud pand en haalt een grote, zwarte sleutel uit de zak van zijn jasje. Hij steekt de sleutel in het sleutelgat, draait de deur van het slot en duwt hem open.Dan draait hij zich naar mij toe, maakt weer dat gebaar met die gesloten handen voor zijn borst en zegt met een lichte buiging, “silahkan masuk (kom binnen)”. Een lichte geur van wierook drijft vanuit het inwendige van het huis naar buiten en ik denk dat dat gebaar met die handen een beleefde groet is. Ik maak hetzelfde gebaar en zeg, “Dewaputra, from Holland”. De oude man lacht alsof ik zojuist een goede mop heb verteld en gebaart me dan hem naar binnen te volgen.

De oude man reikt naar een lichtknopje dat zich links naast de deur tegen de muur bevindt en een klein peertje van zo’n 15 Watt floept aan. In het spaarzame licht dat het peertje verspreidt, zie ik dat ik me in een klein, open halletje van ongeveer twee bij twee meter bevind. Aan de overzijde van het halletje loopt een kort en smal gangetje, waaraan zich aan de rechterzijde twee deuren bevinden, elk voorzien van een gesloten, groen gordijn dat tot aan de grond reikt. Het gangetje leidt naar een donkere ruimte achter in het huis, waar ik een flakkerende, rode gloed waarneem die grillig bewegende, donkere schaduwen op de achtermuur werpt. Vlak voor die donkere ruimte met de rode gloed zie ik een smalle trap die naar een hogere etage leidt. Op de grond van het halletje ligt een rechthoekige, donkerrode mat met een zwart zigzag motief. De oude man gebaart me hierop plaats te nemen. Dan loopt hij de donkere ruimte achter in het huis in.

Ik zet m’n tas neer en neem plaats in kleermakerszit, met m’n rug steunend tegen de muur. Links van me, onder de trap, bakent een eenvoudige houten kast waarin wat glazen en kleine snuisterijen staan het halletje af. Aan de pokdalige muur tegenover me hangt achter het gebarsten glas van een fotolijstje een verkleurde foto waarop ik de oude man in een jongere versie herken, samen met een vrouw van ongeveer dezelfde leeftijd en een jongeman wiens gezicht een sterke gelijkenis met dat van de vrouw vertoont.

Even later keert de oude man weer terug en neemt tegenover me plaats terwijl hij zegt, “kopi dulu”. Het is te donker om Herman’s boekje te raadplegen maar ik vermoed dat “koppie” koffie betekent, dus ik knik maar bevestigend als antwoord. Mijn vermoeden blijkt juist als even later een oude vrouw uit de donkere ruimte tevoorschijn komt. Ze heeft een dienblad in haar handen waarop twee glazen zwarte koffie en een schotel met verschillende lekkernijen staan, onder andere roze en gele matvormige koeken, wat bananen, en een stuk of wat kleine vierkante pakjes van dichtgebonden groene bladeren.

Ze zet het blad tussen ons neer op de mat en zegt met een vriendelijke glimlach, “minum!”. Ik knik vriendelijk glimlachend terug. De oude man kijkt me aan en gebaart dan naar de koffie. Ik knik weer en neem dan een van de twee glazen. Voorzichtig neem ik een klein slokje. De koffie is heet en mierzoet. Ik steek m’n duim op en zeg, “good!” (ik hou wel van zoet). De oude vrouw knikt goedkeurend en loopt dan terug de donkere ruimte in.

Het is warm en vrij benauwd in het halletje. Door het drinken van de zoete hete koffie begin ik al snel te zweten. Ik zet mijn glas voor me neer op de mat en pel een banaantje. De oude man merkt dat ik het warm heb en zegt dan ineens in het Nederlands, “het is warm he?”. Verbaasd dat ik hem Nederlands hoor spreken kijk ik op. “U spreekt Nederlands?”, vraag ik naar de bekende weg.

De oude man lacht en zegt, “jawel, maar dat is niets bijzonders hoor. Ik heb de laatste periode van het Nederlandse koloniale tijdperk nog meegemaakt, net zoals zovele van mijn leeftijdgenoten, en het Nederlands was gedurende die tijd de voertaal bij officieële aangelegenheden, vandaar".

"Mijn naam is Jero Gede Mertha. Je kunt me Pak Jero noemen, als je wilt. Normaalgesproken woon ik in het dorpje Bhuanasari, vlak bij Singaraja in Noord Bali, maar als er belangrijke ceremonies zijn, keer ik terug naar mijn geboortestad Denpasar en woon ik in dit huis".

Hij kijkt naar een klok die boven me aan de muur hangt en merkt op dat het precies middernacht is. Hij legt uit dat nu een dag van stilte en meditatie begint die door de Hindus op Bali ‘Nyepi’ wordt genoemd. Het is de eerste dag van 1925, het Balinese nieuwe jaar volgens de Çaka maankalender van Bali, een dag die telkens plaatvindt na 'Tilem Sasih Kesanga', de negende nieuwe maan van het jaar.

Dan staat Pak Jero op. Hij loopt naar een van de kamertjes en verdwijnt voor een kort ogenblik achter het groene gordijn. Als hij terugkomt, heeft hij een soort sjaal in zijn hand. Hij overhandigt me de sjaal, en maakt me duidelijk maakt dat ik deze om mijn middel moet binden. Ik bind de witte sjaal, die zijdezacht aanvoelt, om mijn middel en vraag me af wat er nu gaat gebeuren.

Pak Jero loopt naar de trap en wenkt dat ik hem moet volgen.

> ga naar deel 3 en lees verder

Wil je meer weten over Bali? Kijk dan op mijn website, https://www.wonderfulbali.com

Hierop staan veel interessante artikelen en mooie slideshows.

© Dewaputra | eigen foto's

 

 
 



expand_less

Meest gestemde posts



expand_less

Recente posts



expand_less

Volgers



expand_less

Collecties