Magie in Denpasar (3)


Vorige delen gemist? Begin te lezen bij deel 1. Onder elk deel staat een link naar het volgende deel.

3. Vurige meditatie op een zolderkamertje

Met mijn handen steun zoekend tegen de muur klim ik voorzichtig achter Pak Jero aan de smalle trap op. De trap komt uit bij een geopend vierkant luik in het plafond en ik moet me bukken om mijn hoofd niet tegen de rand ervan te stoten. Als ik mijn lange lichaam door het luik heb gewurmd en me op de vloer gehesen heb, knipt Pak Jero een lampje aan (alweer zo’n 15-Watter).

Ik kijk om me heen en zie dat ik me in een kleine ruimte van ongeveer vier bij vier meter bevind welke op een houten tafel na, die tegen een muur staat opgesteld, leeg is. In een van de muren bevindt zich een klein raam dat met een houten luik gesloten is. Op de tafel bevinden zich verschillende voorwerpen. 

Midden op de tafel staan twee op kokers gelijkend bakjes (elk ongeveer twintig centimeter hoog en twaalf centimeter in doorsnede) die gemaakt zijn van aan elkaar geregen repen groene en beigebruine bladeren. In die kokers bevindt zich onder andere een kleine, kaalgeschoren kokosnoot en een bruin ei. Ernaast staat een zilverkleurige schaal met een opstaande rand waarop verschillende soorten fruit en steelloze bloemen liggen. Links op de tafel zie ik een koperen beeldje en een rijkbewerkte bel waarvan de lange steel in een knop met twee vleugels eindigt, en rechts staat een ongeveer veertig centimeter hoog, zwarthouten beeld dat getooid is in een zwartwit geblokte sarong. Het hoofd van het beeld heeft halfgesloten ogen en van die typische, strak glimlachende rode lippen, waardoor ik onwillekeurig aan de Mona Lisa moet denken.

Aan de muur, op hoofdhoogte boven de tafel, is een rechthoekige bak van geelgeverfd hout bevestigd welke door twee parasolletjes (een witte en een gele) wordt geflankeerd. Op de rand van de bak zijn decoraties van groene en rode stof bevestigd, voorzien van ingenaaide, goudkleurige sterren. 

Aan de voorzijde van de bak hangt een gele lap stof waarop ronde spiegeltjes en goudkleurige figuurtjes zijn bevestigd. In de bak zelf staan of liggen verschillende voorwerpen, ik zie onder andere een grote plastic fles die halfgevuld is met een doorschijnende vloeistof, enkele kleine bruinkleurige flesjes (waarvan er eentje met ijzerdraad aan de voorzijde van de bak is bevestigd), een halfroestig blik en wat potjes en doosjes. Aan de linkerhoek van de bak hangt verder nog een ongeveer vijfendertig centimeter lange kris met een gebogen, gladde houten greep.


Pak Jero gebaart me te gaan zitten op een mat die tegenover de tafel langs de muur ligt. Als ik er naartoe loop, buigen de houten planken van de vloer gevaarlijk krakend onder mijn voeten door. In kleermakerszit sla ik Pak Jero gade. Hij rommelt wat ik de gele bak en haalt er een bundeltje lange wierookstaafjes uit. Vervolgens vist hij een doosje lucifers uit de zak van z’n jasje, strijkt een lucifer aan en houdt het vlammetje onder de bundel wierookstaafjes in zijn hand. Ik zie hoe het vlammetje aan de uiteinden van staafjes likt en hoe ze langzaam gezamenlijk beginnen te ontbranden, om dan een vlammende en rokende fakkel van vuur te vormen. Met gestrekte arm zwiept Pak Jero het bundeltje heen en weer zodat de vlammende vuurtong weer dooft en nog slechts de gloeiende vermiljoenen topjes van de staafjes zichtbaar zijn. Een walm van wierook drijft mijn kant op en prikkelt mijn neus.

Pak Jero neemt een stuk of negen van de staafjes en plaatst deze in het klein bruin flesje dat aan het midden van de lange zijde aan de gele bak bevestigd is. Dan bukt hij zich en pakt een zwart plastic tasje dat onder de tafel ligt en haalt er twee kleine ronde offertjes uit die elk uit een bakje gemaakt van geweven stroken bruine bladeren bestaan, waarin enige trosjes bloemblaadjes (ik zie gele, blauwe, rode en witte) en wat groene sprietige blaadjes liggen. Met die twee offertjes en de overgebleven wierookstaafjes loopt hij naar me toe (waarbij het me opvalt dat ik de planken van de vloer niet onder zijn voeten hoor kraken).

Pak Jero plaatst een van de twee offertjes voor me op de mat en gaat dan rechts naast me zitten. Het overgebleven offertje plaatst hij voor zichzelf op de grond. Hij legt een staafje brandende wierook dwars over elk van de offertjes en zegt dan, “Ik nodig je uit om nu, hier in de heilige kamer, met mij te gaan mediteren. Houd tijdens het mediteren je ogen open en haal diep en rustig adem. En wat er ook moge gebeuren, houd je ogen open en wees niet bang. Durf je?”

M'n hart klopt in m’n keel als ik antwoord dat ik niet bang ben, en ik voeg eraan toe dat ik nog nooit gemediteerd heb en dat ik dus niet weet wat ik moet doen en wat er van me verwacht wordt. Pak Jero herhaalt dat ik me geen zorgen hoef te maken. Ik moet me gewoon ontspannen en diep en rustig adem blijven halen. Terwijl hij me indringend aankijkt, herhaalt hij nogmaals dat ik hoe dan ook mijn ogen open moet houden en dat ik niet bang mag zijn, wat er ook gebeurt. Ik knik en produceer een moeilijke glimlachje in een poging om aan te tonen dat ik hem begrepen heb en dat ik niet bang ben. Dan geeft Pak Jero me een wierookstaafje, staat op en doet het licht uit.

Terwijl mijn hart ik m’n keel klopt, kijk ik in het pikkedonker met wijd opengesperde ogen naar het enige dat nog zichtbaar is, de gloeiende puntjes van de wierookstaafjes.

Ik span mijn ogen en oren tot het uiterste in. Pak Jero bevindt zich voor de tafel, ik zie het gloeiende puntje van zijn wierookstaafje daar omhoog rijzen richting het plafond. Met monotone stem prevelt hij iets in onverstaanbare woorden. Dan is het weer stil en het vermiljoenen lichtpuntje daalt weer. Even later hoor ik een schurend, metaalachtig geluid. Ik vermoed dat hij zojuist de kris uit de schacht heeft getrokken. Ik houd mijn adem in en met kloppend hart spits ik mijn oren. Gedurende een paar lange tellen is het doodstil en hoor ik slechts het bloed in mijn oren gonzen. Het gloeiende puntje van het wierookstaafje gaat nu weer omhoog, en ik zie hoe de rode gloed van de brandende wierook zwak weerkaatst wordt door het metalen blad van de kris die door Pak Jero nu samen met het wierookstaafje boven zijn hoofd omhoog houdt. Zijn zachte stem begint weer iets mompelen, en dan daalt het rode vuurpuntje weer. Een korte stilte. Dan, plotseling, hoor ik drie korte, doffe tikken voor me uit de vloer oprijzen (alsof er met metaal op hout wordt geklopt). Pak Jero prevelt weer iets, en dan opeens wordt de stilte doorbroken door het hoge, harde geluid van een bel, “Ting-ting, ting-ting, ting-ting, ting-ting, ting-ting…”

Het harde bellende geluid weerkaatst door de kleine ruimte en doet op den duur zeer aan mijn oren. Terwijl de bel luidt, hoor ik Pak Jero met hardere stem spreken en zo af en toe vang ik een herkenbaar woord op, zoals “Oom”, “Brahma” en “Vishnu”, en ook hoor ik hoe hij enkele keren mijn naam noemt, “Dewaputra”. Plotseling houdt het bellende geluid op en is het weer doodstil. Ik hoor hoe Pak Jero mijn kant op komt en weer rechts naast me gaat zitten. Uit mijn ooghoeken kijk ik opzij en ik zie hem als een vage witte schim naast me zitten terwijl hij zijn brandende wierookstaafje in stilte boven zijn hoofd houdt.

Plotseling haalt hij luid en diep adem. Ik hoor hoe hij de lucht gedurende een paar langgerekte tellen sissend tussen zijn lippen inhaleert. Even plotseling als het begonnen was, breekt het geluid weer af. Ik houd mijn adem ook in maar wacht tevergeefs af ik tot ik hem weer hoor uitademen. Minutenlang blijft het doodstil en ik begin me ongerust te maken, er zal hem toch niets overkomen zijn? Dan verstijf ik als ik hem ineens weer hoor uitademen. Wat ik hoor is een angstaanjagend, langgerekt en ver geluid dat van achter uit zijn keel schijnt te komen, “Hàhhhhhhhhhhhhh”. Het geluid klinkt onheilspellend, als een monotone wind op een donkere, onherbergzame vlakte. Secondenlang houdt het geluid aan en sterft dan langzaam weg, een doodse stilte achterlatend.

De adrenaline stroomt door m'n lijf en ik voel m'n hart bonken in mijn keel. Het blijft even doodstil. Opeens voel ik hoe een zachte warmte via mijn handen over mijn armen strijkt, waardoor de haartjes op mijn armen overeind gaan staan. Mijn hart slaat een slag over als plotseling, boven de bak aan de muur tegenover me, een rode vuurgloed verschijnt. Ik zie geeloranje vlammen uit de bak oplaaien. Witte vuurvonken zoals dat van sterretjes springen alle kanten op en vallen lekkend omlaag op de tafel en de houten vloer. Even heb ik angst dat het vuur de kamer in lichterlaaien zal zetten, maar dan herinner ik me de woorden van Pak Jero dat ik wat er ook gebeurt niet bang mocht zijn en dat ik mijn ogen open moet houden.

Met ingehouden adem kijk ik naar de vuurgloed die de kamer in een spookachtig licht zet. Terwijl ik zo met ingehouden adem naar die vuurgloed kijk, voel ik hoe de druk op mijn borstkas en op mijn hoofd langzaam toeneemt. Ik adem uit om de druk wat te verlichten en kijk dan opzij naar Pak Jero, die bewegingloos en met gesloten ogen in lotus zit naast me zit. Ik concentreer me weer op het vuur, dat af en toe in sterkte afneemt, en dan weer plots sterk opgloeit.


Na enige minuten (of was het langer?) dooft het vuur langzaam. De sterretjes zijn inmiddels verdwenen en de vuurgloed wordt nu steeds zwakker, om tenslotte een diepe, stille duisternis achter te laten. Dan hoor ik Pak Jero naast me zich bewegen. Hij staat op en knipt het licht aan, en loopt dan naar de tafel, waar hij het half roestige blik uit de bak aan de muur haalt. Hij loopt met dat blik in zijn handen terug en gaat weer naast me zitten. Met zijn donkere ogen kijkt hij me vorsend aan en vraagt hoe ik me voel.

“Was je bang in het donker, en toen het vuur kwam?” vraagt Pak Jero.

“Valt wel mee”, houd ik me groot, “maar ik heb zoiets nog nooit meegemaakt. Waar kwam het vuur vandaan, Pak Jero?”

“Brahma is vannacht gekomen”, antwoordt Pak Jero. “Het vuur is van Brahma. Door zich hier vannacht te manifesteren, heeft hij je geaccepteerd”.

Hij kijkt me verheugd glimlachend aan, en schudt dan zijn hoofd alsof hij het zelf niet kan geloven. “Het is een heel goed teken, en daarom wil ik je iets geven”. Pak Jero rommelt wat in het blik en haalt er dan een ring uit. Hij houdt de ring even omhoog tegen het licht van de lamp, en ik zie hoe de ring vettig glinstert (alsof er een laagje olie overheen ligt). Dan overhandigt hij de ring aan mij. Als ik de ring van hem aanpak, voelt hij inderdaad olieachtig vet aan. Het is een zilveren ring met een grote, ovale bruine steen die een wit-bruine vlek vertoont. Pak Jero wijst naar de vlek en maakt me erop attent dat daarin het abstracte silhouet van een tijger zichtbaar is.“

De steen van deze ring wordt een 'brumbun' genoemd. Deze brumbun is geladen met een magische energie die de bezitter ervan helpt om zich te concentreren op moeilijke taken. Deze ring is een talisman en hij zal je beschermen”, zegt Pak Jero. “Draag hem daarom vanaf nu altijd”.

>> Lees verder in deel 4

Wil je meer weten over Bali? Kijk dan op mijn website, https://www.wonderfulbali.com

Hierop staan veel interessante artikelen en mooie slideshows.

 

© Dewaputra | eigen foto's