luctor et emergo


Maak u een ark van goferhout; met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken. Genesis 6:14

Ik kan mij wel vinden in Noach. Een man naar Gods hart, er staat zelfs dat hij, op dat moment de enige op aarde was die genade vond in de ogen van God, maar dat even terzijde. Noach, ik kan mij wel voorstellen dat hij toch zo zijn bedenkingen had bij het bouwen van die ark. Wat zouden de anderen denken? Ze zouden hem op zijn minst voor gek verklaren!

In deze huidige tijd zouden ze hem hoogstwaarschijnlijk laten opnemen in een psychiatrische afdeling of in het ergste geval laten onderzoeken in het Pieter Baan centrum. Ze zouden hem wellicht voor gek verklaren of in een separaat cel zetten. Die Noach…

Ik kan me ook voorstellen dat Noach zich niets van mensen aantrok, dat hij, wanneer hij de Psalmen in handen had gehad in die dagen, wellicht nog wel als antwoord had gegeven: mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden, laten mijn vijanden niet over mij juichen. (Psalm 25:2)

Ik voel wel wat voor Noach, geïsoleerd van alles en iedereen, een soort voorloper van Remy, alleen op de wereld. Daar sta je, bouwend aan een ark, door niemand begrepen. Een man, uren aan het zwoegen, vertrouwend op de Heer, zijn God. Het boeide niet wat anderen van hem zeiden, hij keek niet op, noch om. Ja, misschien in zijn binnenkamer dat hij het uitgeroepen had tot God, dat hij misschien God zelf wel voor gek verklaarde toen hij de opdracht kreeg om die boot te bouwen. Hoe dan ook, hij ging aan het werk en bouwde die boot. Wauw, wat een geloof!

Ik worstel en ik kom (weer) boven.

Met Gods hulp, in Zijn kracht, dagelijks bouwend aan die ‘boot van redding’ (en redding alleen).