×

Yoors


Inloggen
Registreren
×

Yoors










Een eindeloze reis naar ergens - Stap 156

Een eindeloze reis naar ergens - Stap 156


Ogen zijn de vensters van de ziel en wie diep in die poppetjes van de ander zijn ogen weet te kijken kan daardoor wel eens geheimen ontrafelen die beter verborgen hadden kunnen blijven. 

Kunt u glas hard blijven liegen wanneer iemand doordringend door uw vensters staart?  

Maakt dat u een narcistische psychopaat, omdat u  zelfs dan de waarheid weet te vertroebelen, omdat uw vensters melkglas bezitten, waardoor uw diepste duisternis voor geen enkele buitenstaander zichtbaar is?

(leest u liever deel 1 eerst klik hier)

 

's Avonds sprak ik met Numico en Cabilah over mijn wens terug te keren als dit alles voorbij was. Ondanks dat ze begripvol waren voelde ik dat ze bang waren dat ik voortijdig zou vertrekken. Het was alsof ze zich misleid voelden, iets waar ik absoluut niet aan zou durven denken.

Het was snel recht gezet door ze te vertellen hoe ze beiden voelden als mijn familie. Dat ik hen niet zou verlaten voor dit avontuur ten einde was. Dat ik wist dat zij mij volgden vanwege onze gezamenlijke idealen, maar dat ik de sturende factor was geweest. Dat mijn ogen vlamden als ik sprak over het doel van onze reis en dat het vuur hen ten dele aangezet had ook te kiezen voor die mogelijk betere wereld.

Waarschijnlijk hadden ze zelfs een beetje gelijk, wanneer ze voelden dat ik terug wou. Niet dat ik er aan toe zou geven, maar het wachten en het toekomst perspectief maakte duidelijk dat we nog lang niet waren waar we zouden willen zijn. Het leek erop dat we nu weer aan een nieuw begin stonden, ondanks alles wat we al ondernomen hadden. Dat maakte me ongeduldig.

Eindelijk was de derde nacht daar, we hadden het kamp opgebroken en de paarden gepakt.  Het wachten was op het stijgen van de maan. Gelukkig was het helder, want anders was ik al drie keer vertrokken. Toen het eindelijk tijd was gaven we de paarden sporen en reden achter Cabilah aan. 

Ik was opgelucht dat we eindelijk weer onderweg waren, ook al was het van korte duur. Na vannacht zou ik weer in een echt bed slapen, echt voedsel eten, me kunnen wassen met warm water. Althans als de munt de goede kant op zou vallen, want anders zouden we opnieuw moeten vluchten, racen en haasten. In ieder geval had ik actie of comfort als vooruitzicht, dus sowieso een einde aan dat ellenlange wachten.

Voorlopig liep alles gesmeerd, Cabilah had ons zonder problemen tot bij de stallen geleid. De paarden waren vastgemaakt met een simpele knoop voor het geval we overhaast moesten vertrekken. Er was echter iets waar we geheel niet op gerekend hadden. Monta was ons gevolgd en kwam nu aangerend. Hij zou wel eens voor problemen kunnen zorgen, maar hem terugsturen had ook geen zin. 

We begaven ons naar de voorzijde van het huis, waar enkele ramen verlicht waren. In deze woonvertrekken zou het personeel zich niet ongevraagd bevinden, dus was de kans groot dat het Dadrie en Kreytu waren.  Vlak bij de grote tuin aan de voorzijde begon Monta zenuwachtig heen en weer begon te lopen.

We hielden halt, in de verte hoorde ik een zacht gerommel, het kwam snel dichterbij. We renden naar het midden van de tuin waar een enorme bosschage van rozen stond. Op onze buiken, ernstig gehinderd door de doornen, kropen we dieper de struik in. Het geluid werd harder, het waren hoeven.

“Het zijn twee paarden,” fluisterde Numico. Twee, wat kan dat zijn? Dat zou erg weinig zijn voor versterking, of zouden ze denken gedrieën Dadrie te kunnen overmeesteren?

De paarden kwamen nu voor het huis langs, ze reden in volle galop en niks leek erop dat ze zouden stoppen. Nog geen minuut later verdween het geluid in de verte, opgelucht haal ik adem. Blijkbaar een stel boeren dat terugkwam van een bezoek aan wie of wat dan ook.

Vanuit onze positie had ik inmiddels gezien dat Dadrie en Kreytu zich daadwerkelijk in de grote kamer bevonden. Terwijl we naar het raam toe slopen, deed Numico de roep van een uil na. De jongen was zo goed met dierengeluiden. Het was waar dat hij met ze kon spreken, maar dat was volgens mij niet door hun taal na te bootsen, toch beheerste hij de geluiden geweldig.

Niemand zou het verschil hebben gehoord, dacht ik, terwijl ik me, met Cabilah aan de rechterzijde en Numico zich aan de linkerzijde van het raam, tegen de muur drukte. Heel voorzichtig wierp ik een blik naar binnen. Het glas voor de ramen was niet geheel helder waardoor het een mooi schimmenspel weergaf. Als ik het goed zag zat Dadrie met zijn gezicht naar het raam, terwijl Kreytu tegen over hem zat. Ik hoorde Dadrie zijn keel schrapen.

 

Ga naar deel 157 van dit online feuilleton. Het verhaal is gebaseerd op regressietherapie, fantasie en levensvragen voor meer achtergronden zie "Waarom ik mijn boek blog". 
Voor een overzicht van alle delen tot nu toe klik hier.

 
 



expand_less

Meest gestemde posts



expand_less

Recente posts



expand_less

Volgers



expand_less

Collecties