Een eindeloze reis naar ergens - Stap 171


Één blik in haar ogen, direct was ik verloren, het mocht niet anders zijn, ik wil niets anders horen.

Liefde maakt blind en onbeantwoorde liefde drijft menig mens tot waanzinnige acties.

Niet kunnen, of willen leven zonder die ander. Die ander die u vervult, die u heel maakt.

Er is niets zo verraderlijk als de liefde, maar gelukkig komt zij met een schitterende roze bril die alle scherpe randen verbloemt.

(leest u liever deel 1 eerst klik hier)

We waren bijna op de hoofdstraat aangekomen, maar een enorme opstopping versperde de doorgang. Gelukkig dat wij, gezeten op de paarden, boven de mensen uit torenden waardoor we goed zicht hadden op wat er gaande was. Ook al was dat in het begin nog onduidelijk, maar een grote groep soldaten te paard kwam op een heel laag tempo en in rijen van vier door de hoofdstraat aangereden. Nadat de tweede groep gepasseerd was kon ik over de twee volgende groepen heen een rijtuig zien, met aan beide zijden soldaten, gevolgd door een kleiner rijtuig eveneens omgeven door soldaten. Het leek zowaar een militaire parade waar we in terecht waren gekomen.

Terwijl ik me omdraaide om Dadrie of Kreytu om uitleg te vragen zag ik Kreytu zijn handen ten hemel heffen. Terwijl Dadrie hartelijk moest lachen. Kreytu bleef zijn ogen geruime tijd op de hemel gericht houden en schudden ongelovig zijn hoofd.

“Het is niet te geloven,” stamelde hij. “Niet te geloven.” Blijkbaar zou het Cabilah niet zoveel moeite hoeven kosten om hem nu ook van enkele andere zaken te overtuigen.

Het was me duidelijk, deze militaire parade was niet zomaar. Zij was de manifestatie van onze energie, van onze visualisatie, van onze wens. Voorzichtig begaven we ons naar de rand van de menigte om zo goed mogelijk zicht te hebben op wat komen ging. Het schoot even door mijn gedachten om mijn paard dadelijk de sporen te geven en vanaf mijn paard het rijtuig te proberen te bereiken. Maar de aanblik van slechts een klein gedeelte van de militairen hier aanwezig maakte dit idee tot één van de slechtste die ik ooit gehad had.

“We gaan de Sikh zien, we gaan hem ontmoeten, heb vertrouwen,” fluisterde ik eigenlijk meer tegen mezelf dan tegen de rest. Daar stonden we, vijf ruiters tussen de menigte stadse, die blijkbaar ook graag een blik op de Sikh wierpen.

Uit het geroezemoes maakte ik op dat dit slechts eens in de zoveel tijd gebeurde. Het was om het volk te tonen dat de familie van de Sikh en hij zelf nog steeds in goddelijke gezondheid verkeerde. Dat hij bij alle machten was dit land te besturen. Dat hij en hij alleen verantwoordelijk was voor de gang van zaken in het rijk en in de wereld. Schijnbaar begaf de man zich zo weinig in het openbaar dat mensen soms twijfelden of hij nog wel leefde.

Het moment was daar, het rijtuig slechts enkele meters van ons verwijderd. De Sikh droeg een blakend wit pak overal afgezet met gouden stukken. Hij zat kaarsrecht, zijn hand op het gevest van zijn zwaard. Zijn andere hand in zijn schoot. Zijn diepe ogen staarde recht vooruit, maar af en toe keek hij voorzichtig opzij, zonder zijn hoofd te bewegen. Ik zag zijn ogen, het leek of deze even op ons rustten. Was het mijn verbeelding of keken ze langer naar ons dan normaal was. Het leek zo, het leek zelfs alsof de man ergens door opgeschrikt werd, want hij wende zijn blik direct weer naar voren.

Het moment was voorbij, we keken alweer tegen zijn rug aan. Het rijtuig werd gevolgd door een kleiner rijtuig met twee schitterend opgemaakte vrouwen getooid met juwelen. In eveneens blakend witte gewaden, zij het overal afgezet met edelstenen en zilver. Ze waren zo verblindend mooi dat ik mijn blik los moest rukken, omdat ik vanuit mijn ooghoek beweging zag in het rijtuig van de Sikh. Helaas het was niets, slechts een simpel armgebaar naar een van zijn soldaten.

Mijn ogen werden weer naar de vrouwen getrokken. De jongste van de twee, waarschijnlijk de dochter van de Sikh, moet een zomer of vijftien zijn geweest. Haar moeder, ook al was het door de make-up en sieraden moeilijk te schatten, achtte ik iets jonger dan mijzelf. Ook deze beide vrouwen keken onze kant op, zij het dan keurig glimlachend, om vervolgens weer de overzijde van de straat hun pracht te tonen. Ik hoopte dat ze, voor ze uit het zicht zouden zijn, nog één maal onze kant op zouden kijken. Maar zelfs als ze dat gedaan zouden hebben was mij het zicht inmiddels ontnomen.

Voor ons stonden twee uitgedoste militairen te paard. De voorste, blijkbaar de hoogste in rang aan de versieringen op zijn uniform te zien, manoeuvreerde zijn paard zo dat het tussen dat van mijn en Numico in kwam te staan. Ik zuchtte diep en vreesde het ergste. Blijkbaar waren ze het voorval met van enkele dagen terug nog niet vergeten. Of nog erger waren ze hier voor officier Reiko en de ontsnapte terroristen.

Gan naar deel 172 van dit online feuilleton. 

Het verhaal is gebaseerd op regressietherapie, fantasie en levensvragen voor meer achtergronden zie "Waarom ik mijn boek blog". 

De mijlpalen en het volgende deel vindt u onder de foto.

Voor Yoors leden, vindt een overzicht van alle delen tot nu toe hier.