Vrijdagavond


Zoals elke vrijdag werd tegen acht uur in de avond op de achterdeur van Bertus aangeklopt. Bertus draaide de sleutel rond in het slot en maakte de deur voor Janus open. Het was traditie, van hoelang, dertig of veertig jaar, wie zal het zeggen?

Steevast kwam Janus dan binnen met de woorden ‘Ik moest kloppen hè, de deurbel was kapot.’ Een oud grapje, geleend uit het kinderprogramma Samson en Gert, een grapje ook dat door beiden op prijs werd gesteld, in het besef dat de achterdeur helemaal geen deurbel had.

Zoals elke vrijdagavond kwam de koffie op tafel, werden de kaarten gedeeld en noteerde de pen de uitslagen, door beiden betwist en geaccepteerd want ook dat hoorde bij hun beider spel.

Na de koffie kwam de wijn op tafel, twee flessen. Een folder van de kruidenier diende als onderzetter voor de glazen. En zoals steeds roerde Janus door elk glas rode wijn met zijn theelepeltje een schepje suiker, een tafereel dat Bert na al die jaren nog steeds met lede ogen aanzag.

‘Ik snap niet dat je dat lekker vindt’, zei hij steeds. Janus haalde dan zijn schouders op.

Het waren mannen van weinig woorden, mannen die voldoende hadden aan elkanders gezelschap. Een enkele keer werd maar wat gezegd, vaak slechts met een hoofdgebaar beantwoord.

‘Ik stond in de winkel’, begint Janus, ‘wist ik mijn pincode niet meer. Drie keer fout, nou doet die pas het niet meer.’

Bertus knikte. ‘Dan moet je een nieuwe. Moet je naar de bank.’

Meer hoefde er niet gezegd.

Naarmate de avond vorderde en de avond donkerde werd het stiller. Twee mannen, in het spaarzame licht van het peertje boven de tafel, en de wijn. Hoe later het werd, hoe minder vast de hand bij het inschenken en het afdruipende vocht had een rozige kring gemaakt op de folder, waardoor een potje handcrème op de foto een aureooltje van wijn had gekregen.

Buiten flitste de bliksem, gevolgd door een gerommel in de verte.

‘Het wordt lelijk weer’, zei Janus, en Bert knikte. Een nieuwe flits volgt, als of het de woorden van Janus bevestigen wilde.

Het was weer stil, een volgend glas werd gevuld.

Het werd later en later. Op een gegeven moment, het middernachtelijk uur is al gepasseerd, staat Janus op. ‘Het wordt mijn tijd, ik doe op huis aan.’

Bertus knikt.

Op dat moment barst het sluimerende onweer in volle hevigheid los. De flitsen zetten hemel en aarde in wit licht en de regen komt met bakken naar beneden.

Bertus kijkt dat even aan en zegt:

‘Nee, Janus, daar kun je niet doorheen.’

Janus knikt, door het onweer, daar voelt hij niet veel voor.

‘Bel Toos, dat je hier blijft’, stelt Bertus voor.

‘Bellen?’ moppert Janus, ‘Met zo’n mobiel ding zeker, dat heb ik niet, daar ben ik te oud voor.’

Bertus zegt niets, maar wijst naar een oud telefoontoestel met nog een draaischijf.

Dat kent Janus wel en hij geeft zijn boodschap aan zijn vrouw door.

‘Een tandenborstel heb ik niet voor je’, zegt Bertus.

Janus haalt zijn schouders op. ‘Geeft niks’, zegt hij, ‘Ik zet ze morgen wel even in het glaasje.’

Onwennig betreden ze de slaapkamer van Bertus, met het brede bed. Janus mag rechts, de kant die al zo lang leeg is na het overlijden van Truus. Janus legt zijn bril op het nachtkastje.

‘Als je maar niet snurkt.’

‘Ik snurk nooit,’ antwoordt Janus.

En tien minuutjes later stijgt een tweestemmig, vredig geronk op, zich vermengend met het gerommel in de verte.


(c) 2017 Hans van Gemert

Afbeelding: Pixabay

Met dank aan de februari-uitdaging van Vlindertje73. Er moesten in deze uitdaging steeds tien steekwoorden gebruikt worden:
pincode, handcrême, deurbel, bril, tandenborstel, theelepel. onderzetter, mobiel, sleutel, pen