Solitaire_969, Deel 42.

Solitaire_969, Deel 42.


settings
  • Instellingen
  • Positie

    Automatische scrolling

‘Waar is die persoon dan?’

‘Daar!’, zei Josie en ze wees het bos in, ‘dat moet een enorme grote vent zijn, man.’ Tom stopte de auto en keek in de richting die Josie aanwees.

‘Moppie, ik weet niet wat voor tabak jij rookt, maar ik zie helemaal niemand hoor’, zei Tom.

‘Toch zag ik hem’, zei Josie.

‘Ja, ja, het zal wel, maar hoe weet jij of dat een vent was dan?’

‘Dat moet toch wel’, zei Josie, ‘ik heb nog nooit een vrouw gezien van twee meter lang.’

‘Jij gaat me toch niet vertellen, dat je nu ineens wel lengtes kan inschatten hé’, zei Tom snerend.

‘En waarom zeg je dat dan?’ antwoordde Josie.

‘Vrouwen kunnen dat niet’, meende Tom. Josie stak als reactie haar middelvinger naar hem op. Tom liet de auto weer verder rijden. Met een sukkeldrafje kwamen ze bij een vertakking uit. Zo'n honderd meter verder stond weer een wegwijzer. Tom gaf gas en stuurde weer in de richting van het bordje. ‘Villa Pannehoef, vijfhonderd meter.’

‘Het begint al op te schieten’, zei Tom.

‘Mooi, want het begint bij mij al aardig de keel uit te hangen’, antwoordde Josie. Weer gaf Tom gas, maar de auto kwam niet meer vooruit. Tom keek Josie aan, trok zijn schouders omhoog en gaf nog een keer gas. Tevergeefs.

‘Ik zou goed kunnen vloeken nu’, zei Tom nijdig.

‘Gaat daar de auto van in beweging komen dan?’

‘Ja, wat nu?’ vroeg Tom wat hulpeloos.

‘Ja, eh, weet ik veel’, antwoordde Josie, ‘kamperen?’

‘Waren we maar gewoon met de files mee gereden’, zei Tom.

‘Schat, dit kon je van te voren ook niet weten, toch?’

Tom opende zijn portier en keek naar beneden.

‘Eén grote modderpoel, Djoos, daarom komen we niet weg met de auto.’

‘Hoe lang is vijfhonderd meter?’ vroeg Josie.

‘Zie je wel dat je niet kan schatten’, antwoordde Tom, ‘Het is niet lang meer, hoezo?’

‘Dan lopen we de rest toch?’

‘Waar naar toe, naar die villa?’

‘Nee, naar de kermis, nou goed?’

‘Djoos, het regent, bliksemt en het dondert’, zei Tom.

‘Ik zeg toch ook niet dat we nu moeten gaan’, antwoordde Josie.

‘Nee, nou ja, het wordt al wat minder, geloof ik’, zei Tom en hij keek naar buiten. Het regende ook al wat minder. Tom draaide zijn raam open en stak zijn hand naar buiten. Josie probeerde de beide telefoontjes nog eens, maar er was nog altijd geen bereik.

‘Wacht even’, zei Tom en hij stapte uit de auto. Josie keek hem na. Tom opende de achterklep en haalde daar een rood kistje uit, dat hij meenam, terug de auto in.

‘Wat is dat?’ vroeg Josie.

‘Dat mijn lieve schat, is mijn noodsetje’, zei Tom.

‘Noodsetje?’

‘Yup, je weet wel, lampjes, zekeringen, maar ook een LED lamp’, antwoordde Tom, ‘het is niet veel, maar er komt in ieder geval een goede straal verlichting uit.’

Tom haalde de lamp uit het koffertje en haalde de batterijen uit de verpakking. Hij plaatste vervolgens de batterijen in de lamp.

‘Doet- ie het wel?’ vroeg Josie.

‘Wat denk jij, dat ik rotzooi bij me heb?’

Tom testte de lamp en een sterke straal verlichting kwam uit de staaflamp.

‘Let's go’, zei Tom en hij opende zijn portier.

‘Ja wacht even, flapdrol’, zei Josie, die haar spulletjes bijeen zocht en alles in haar tasje deed. Ook zij opende haar portier en stapte uit de auto. Tom was alvast een stukje verder gelopen.

‘Hee, stuk ongeduld, wacht je even op mij? riep Josie.

‘Ja, ja, ik ga alvast gaan kijken, of ik nog zo'n bordje zou tegen komen’, antwoordde Tom. Tom liep een paar honderd meter verder en zag inderdaad nog een bordje staan. Hij zwaaide naar Josie, die het tempo van Tom niet kon bijhouden.

‘Ja hoor, verderop staat weer een bordje, volgens mij’ riep Tom. Hij liep weer een stukje terug om Josie tegemoet te komen.

‘Wat liep je nou allemaal te bulderen?’ vroeg Josie, toen het tweetal weer samen was.

‘Dat we verderop weer zo'n bordje tegenkomen, Djoos.’

‘Ja, nou, prachtig, het is nog steeds van dat rotweer Tommie’, antwoordde Josie.

‘Dan moeten we even doorlopen Djoos’, zei Tom, ‘minder dan vijfhonderd meter.’

‘Die modder maakt het ook niet gemakkelijker Tommie.’

‘Ik weet het, Djoos, nog even en we zijn er, als het goed is.’

‘Als het goed is’, mopperde Josie, terwijl ze rilde van de kou en een weg baande door de modder heen.

Het duo liep het volgende bordje weer voorbij, toen Josie plotseling stokstijf bleef staan.

‘Wat is er?’ vroeg Tom.

‘Hoorde je dat?’ vroeg Josie weer op haar beurt.

‘Eh, nee’, zei Tom, ‘wat was er dan?’

‘Misschien die vent van die villa’, antwoordde Josie, ‘zal ik eens roepen?’

‘Nee joh, wacht gewoon even tot we bij die villa zijn.’

‘Goed, we lopen weer’, antwoordde Josie en ze begon al aan te lopen. Het waaide nog altijd en het begon weer een beetje te druppelen. In de verte hoorden ze nog altijd de onweersbuien. Soms werd daarbij de lucht verlicht. De paadjes werden steeds smaller. Omdat de begroeiing steeds dichter werd, begon het ook wat onaangenaam koud te worden. Zo hier en daar vloog een geschrokken vogel weg. Dat veroorzaakte keer op keer een schrikreactie bij Josie, die steeds dichter naast Tom kwam lopen. Toen men het laatste bordje tegenkwam, hield ze zijn arm vast. ‘Villa Pannehoef.’ Dit keer stonden er geen meters bij. Dit was een bordje in de vorm van een pijl. Het wees naar links.

‘Links,’ fluisterde Tom. Hij keek naar boven. Het begon weer een beetje te rommelen.

‘Dan maar naar links, toch?’ vroeg Josie.

‘Eh, ja, juist ja’, antwoordde Tom wat afwezig. Ze liepen een stukje verder en kwamen uit bij een groot, ijzeren hekwerk. Een monsterlijk grote poort was het middelpunt van het geheel. Tom en Josie keken elkaar even aan. Josie trok daarna haar schouders omhoog. Een gietijzeren geheel. Groen gelakt, maar hier en daar was de verf al wat afgebladderd. Mooi en sierlijk was het al lang niet meer. De bomen erom heen en de begroeiingen zorgden ervoor, dat het er allemaal wat onverzorgd eruit zag. Haast spookachtig. Tom liep naar de poort toe. Daarachter liep een pad van wit grind. Het liep enigszins omhoog. Om wat meer te kunnen zien, leunde Tom tegen de poort aan, dat langzaam aan een stukje open ging staan. Hij schrok er enigszins van, maar duwde de poort toch nog een stukje verder open. Hij keek naar achter. Naar Josie.

Voor vervolg klik hier



Beoordeel

Reviews en Reacties:

5.0 / 5 (1 reviews)
expand_more
Verberg reacties
Mooi geschreven, maar toch heb ik liever tante Toos en haar luchtventieldopjesfabriek, hoef ik niet zo na te denken :P
| 19:48 |
Snap ik, hahaha!!!
| 02:11 |
:P
| 10:12 |

Persoonlijk kanaal
Arbowetten bestonden toen nog niet
Gezondheid & Geest
mentale fysiotherapie
mentale fysiotherapie
Muziek, Kunst & Cultuur
Portret tekenen
 
×

Yoors


exit_to_app Inloggen