×

Yoors


Inloggen
Registreren
×

Yoors








Lood om oud ijzer...


“Carla, dokter.”

Met wat ik denk, mijn laatste krachten, stoot ik deze klanken uit richting mijn jongste zoon.

Sinds enkele dagen slaapt hij bij mij in de huiskamer. Van slapen komt bij ons beiden niet veel terecht. Ik zit rechtop in bed, voorover hangend, te hijgen, alsof ik drie marathons gelopen heb. Een rare bromtoon, oerklanken, lange oe’s of ie’s die door hun trilling het zo vastzittende slijm proberen los te bonken, zodat ik het kwijt kan en niet stik. Tussendoor krijg ik steeds minder rust. Mijn zoon probeert te onderscheiden wanneer het serieus dreigt te worden en ik iets nodig heb. Hij blijft op gepaste afstand en houdt zich kalm.

Er is geen ruimte om mij met hem bezig te houden. Natuurlijk kent hij mijn aanvallen van bronchitis maar al te goed. Als daardoor mijn minimale longinhoud nog verder daalt wordt het kritiek. Zondagnacht is het dan zover, ik was al aan de prednison kuur, morfine en luiers.

Al twee dagen stormt het en staan de schuifpui, toiletraam, gangdeur en bovenlicht tegen elkaar open. Dat is wat mij nog van een beetje lucht voorziet.

“Zal ik 112 bellen?” Ik steek mijn duim op, en kijk dankbaar naar hem op. Wat een zoon! De gele hesjes werken snel, al gaat alles mij te traag. Mijn schouders, armen en hoofd, het geheel beweegt mee op iedere adem teug om zoveel mogelijk lucht te happen. Mijn paniek is compleet. Eindelijk zit dan dat kapje over mijn neus en mond en ben ik aangesloten op de hartmonitor. Sneller dan verwacht, herstelt mijn ademhaling zich een beetje. Ook de paniek zakt.

Op tafel liggen verzekeringspapieren en de euthanasieverklaring, meermaals geprint door Carla, mijn persoonlijke thuiszorg. Haar uren zijn opgeschroefd tot terminale fase. Deze maandag zou de huisarts nogmaals komen om de laatste details door te nemen, om de avond erop mijn leven te beëindigen, waarna Carla zich over mijn zoon en alle afgesproken zaken zou ontfermen. In plaats daarvan houdt zij de nieuwe binnenkomers, dienstdoend ambulancearts met assistent, de afspraken t.a.v. mijn wensen onder hun neus. Mevrouw wil niet naar een ziekenhuis!

Naast mijn bed staat onverdroten een rijzige, grijze man. Als een standbeeld straalt hij de kalmte van een grote reus uit. De Antwerpse arts lijkt een tegenpool, kleiner, bewegelijk. In mijn herinnering lijkt het een stripfiguur, hij draagt een keppeltje, wat ik bijzonder grappig vind. Zodra hij zijn mond opent is de toon gezet, ik ben in een scherts beland. “Meevrouw, zegt hij uiterst traag, ik wil u twee spuiten gaan geven.” Hij zegt het alsof hij een wonderlijke genezing uit zijn hoed, euh.....keppeltje, getoverd heeft. Ik reageer niet. Weer dat lijzige meevrouw. “Eéén morfinespuit en daarna nog ééén spuit met prednison.” Hard schud ik mijn hoofd haal het kapje van mijn mond en zeg duidelijk: “nee!”

De afgelopen dagen heb ik al morfinetabletten gehad en ook mijn prednison kuur liep op zijn laatste dag. Het had niets geholpen. Ik moet in heuse onderhandeling met deze arts die mij toespreekt als een kind van vier en uiteindelijk een verhaaltje begint over een ventilator. Ik accepteer de prednison, maar wil de zuurstof houden. Dat gaat niet. Uiteindelijk mag hij mij ook morfine toedienen, als er gewacht wordt of het aanslaat, voordat de zuurstof weggehaald wordt. Daarmee gaat hij akkoord.

Gelukkig houdt mijn grote gele hes de wacht naast mijn bed en fles en ik zie in zijn ogen dat hij ons bewaken zal. Even is er tijd voor reflectie, heel even. Dan is de arts klaar met zijn papieren en wil vertrekken. De zuurstof raakt ook op. De vraag om een nieuwe fles brengt wederom leven in de brouwerij. Meneer ‘ik zal wel zeggen wat u moet doen’ is zijn belofte glad vergeten. Opnieuw schiet ik in de stress, met alle gevolgen van dien voor mijn gebrek aan zuurstof. Ik roep dat dat niet de afspraak is, dat ik dan naar een hospice wil, zoals afgesproken met mijn huisarts. Carla probeert ook nog duidelijk te maken dat er al euthanasie is afgesproken. Niets lijkt te helpen, er wordt wat gebeld, maar ja......het is net tussen de wisselende diensten.

Het is mijn uiterst kalme zoon, die ik in een ooghoek, op afstand in de keuken zie staan, die zeer beheerst de arts vraagt wat wij dan moeten doen. Opnieuw 112 bellen?

Ik geef het op en mij over, stem overal mee in, als zij maar vertrekken en raak langzaam buiten bewustzijn, waarschijnlijk van de morfine. Dit kon niet anders dan theater zijn, besloot ik vredig toen de lange slungel, die keppeltje overal naartoe reed, ineens ook een duit in het zakje deed en zei: ”Ik (wij) hebben nog een volle fles over in de wagen.”




expand_less

Meest gestemde posts



expand_less

Recente posts