Miranda T. Pot


Mijn hele leven drink ik koffie, zonder mij verder daar veel over te hebben afgevraagd, was dat altijd min of meer een gegeven. Ik houd niet van frisdrank, dus kwam ik blijkbaar uit bij koffie. Thee herinner ik mij vooral nog van de tijd bij mijn oma, die nog zelf theeblaadjes in een ei deed, om daar een flink sterk brouwsel van te maken. Ik dronk dat het liefst met een flinke scheut koffiemelk.

Waarom dat ik daar ineens over begin?

Nou het eerste wat mij overkwam toen ik ontwaakte na mijn 112 debacle, was naast desoriëntatie, een extreem droge mond en een, niet verder thuis te brengen, smaak in mijn mond. Mijn anders zo geliefde koffie smaakte naar het smerigste drap ooit en ook een stukje brood was niet weg te krijgen. Wat ik ook probeerde, alles kreeg volle laag van die grauwe, misselijkmakende asbak, die mijn smaakpapillen blijkbaar wensten uit te zenden.

Als een, god zegenen de greep, dan maar thee proberen. Tranen, jawel, tranen bengelden over mijn wangen, toen ik na twee dagen eindelijk door die graftak smaak heen brak met een kopje appelthee. In ijl tempo zocht mijn zoon iedere uithoek van de keuken af, op zoek naar thee, thee en nog eens thee. Zo had ik turkse blend, sinasappel en ook iets van munt.....

Vervolgens waren het de gekonfijte gemberstukjes, die mijn tong weer de sensatie van willen eten gaven. Niets is namelijk belangrijker, heb ik gemerkt. Ik weet zeker dat als ik mijn smaak, die nu, zo goed als helemaal terug is, niet had terug gekregen, ik inmiddels al wel een volgende datum voor euthanasie had gekozen.

Ik overdrijf niet. Eenmaal ook weer geheel af van de morfine, besef ik dat 40 jaar roken natuurlijk een prijs heeft. Mijn mond was werkelijk een asbak. Nog, soms, als ik slijm ophoest, komt er een rooklucht (smaak) mee naar boven. Een vleesgeworden sigaret, dat was er van mij geworden indien de thee mij niet had gered.