×

Yoors


Inloggen
×

Yoors











Gesprek op school

Gesprek op school


School heeft contact gezocht. Een negatief studieadvies, omdat ik nooit op school ben, en een gesprek met hoe we dit in het vervolg beter gaan doen. Alweer. Ik weet dat het mijn eigen schuld is en ik weet dat dat gesprek nu eenmaal moet plaats vinden. Maar ik zie er als een berg tegenop.

Om elf uur precies zit ik nerveus te wachten voor het kamertje waar het gesprek zal plaatsvinden. Ik ben misselijk, bang dat dit het einde is. Dat moet het wel zijn. Tenzij ik nu open kaart speel.

Door de jaren heen heb ik school heel wat verteld. Dan was ik zoveel afwezig omdat mijn moeder ziek was. Dan omdat ik niet goed in m'n vel zat. Dan weer omdat mijn zusje in het ziekenhuis lag. Inmiddels moet school wel denken dat er telkens een nieuw excuus is. Maar al die dingen waren waar. Ik probeerde school puzzelstukjes te geven van het grotere geheel, en die puzzel moet ik nu compleet maken. Ik hoop alleen dat dat lukt zonder flauw te vallen.

De deur gaat open en een vrouw in een winterjas komt naar buiten. Ze kijkt me aan.

' Oh, daar ben je. Ik ging nog even roken, ga je mee?'
Ik wil absoluut niet met haar gaan roken, want tijdens ons eerste oogcontact zijn er meteen twintig alarmbellen afgegaan. Noem het een overblijfsel van jarenlang gepest worden, een moeder wiens stemming nogal wisselde en goede mensenkennis van mezelf, maar ik prik vrij snel door mensen heen. Deel ze op in hokjes. Groen zijn de mensen bij wie me snel veilig zal voelen. Oranje voor hen waarbij ik meer op mijn hoede zal zijn, meer op afstand zal houden. En rood voor mensen waarvan ik op de voorhand weet dat ik ze niet kan vertrouwen. Mijn instinct heeft me nog nooit in de steek gelaten en wetend dat ik bij haar mijn hele verhaal zal moeten doen, stemt me dieptriest.

Maar ik ga mee naar beneden om te roken. Mijn handen trillen, van misselijk ben ik nu naar doodziek gegaan, maar ik moet doorzetten. Buiten steken we tegelijk een sigaret op.
'Zo. Ik heb me even in gelezen in je dossier. Je bent al een hele poos bij ons, is het niet?'
'Zes jaar. Hiervoor heb ik ook een opleiding op deze school gedaan.'

De vrouw glimlacht. 'Dat las ik ja. En toen had je ook al problemen met je aanwezigheid.'
Dus ik gooi het er maar gewoon uit. Dat ik een sociale angststoornis heb. Sinds kort hulp krijg. Dat school te eng voor me is. De sigaret tussen mijn vingers geeft me een klein beetje zelfvertrouwen terwijl ik het vertel. De vrouw knikt, maar kijkt bedenkelijk en ik voel me onrustig worden.
We lopen naar boven, naar het kamertje, en zetten het gesprek voort.

'Goed,' zegt de vrouw, 'probeer mij eens uit te leggen wat er dan met je gebeurt voordat je naar school gaat.' Ik haal diep adem. Verzamel al mijn moed.
'Je bevriest,' begin ik, maar ze onderbreekt me.
'Ik.' De vrouw kijkt me streng aan. 'Ik bevries. Niet met "je" beginnen, want dit gaat over jou. Ik bevries niet als ik naar buiten ga, tenzij het koud is.' Mijn lichaam verstijft. Ik wil haar uitleggen dat ik liever in de derde persoon uitleg hoe ik me voel en wat er met me gebeurd. Dan lijkt het niet over mij te gaan. Dan kan ik makkelijker uitleggen hoe het voelt. Maar haar ogen staan nog steeds streng en ik krimp in elkaar.
'Prima,' piep ik. 'Je... Ik... bevries dus. Wordt wakker met een misselijk gevoel. En ik ben alleen maar bang.' De vrouw knikt bedenkelijk.
'Dat moet vervelend zijn. En je krijgt hier hulp voor?'
'Sinds kort,' bevestig ik. 'Voorlopig wordt ik nog een beetje heen en weer gegooid tussen psychologen tot ik iets heb gevonden dat bij me past. En tot die tijd heb ik gesprekken met een andere psycholoog.'

'Hmm.' Ze schrijft iets op. Maar haar toon bevalt me niet en ik begin het ontzettend warm te krijgen.


Ze vraagt waarom ik zo bang voor school ben en ik leg haar uit dat jarenlang van pesten hier een rol spelen. Ze vraagt hoelang.
'Vanaf mijn zevende tot mijn achttiende,' zeg ik. De vrouw pakt een vel papier en tekent een tijdlijn. Samen brengen we bijna mijn hele leven in kaart. Vanaf mijn geboorte, de scheiding van mijn ouders toen ik twee was (ze zegt dat ik dat wel niet meer zal weten en als ik zeg dat ik me wel degelijk nog dingen herinner, trekken haar wenkbrauwen ongelovig op), het pesten op de basisschool, overlijden van mijn beste vriendin op mijn twaalfde, pesten op de middelbare school. Ik haal diep adem en verzamel al mijn moed om het volgende gedeelte te vertellen.

'Rond mijn veertiende begon ik depressief te worden,' zeg ik uiteindelijk, starend naar de muur.
'En is dat officieel vastgesteld?' vraagt de vrouw scherp. Ik kijk haar onzeker aan.
'N...nee,' stotter ik. 'Ik wilde niemand lastig vallen met mezelf. Had liever dat iedereen dacht dat alles goed ging. Je weet wel, de gelukkige dochter spelen zodat mijn ouders zich geen zorgen hoefde te maken. Mijn moeder werkt zelf met mensen die mentale zorg nodig hebben. Ik wilde niet dat ze haar werk mee naar huis moest nemen.' De vrouw leunt achterover.

'Maar je bent haar kind. Geen enkele moeder wil haar kind ongelukkig zien, dus wat je nu zegt, is onzin.'
Onder de tafel boor ik mijn nagels in mijn arm en voel het begin van een aanval opkomen.
'Dat is niet hoe ik toen dacht. Mijn moeder en ik hadden destijds geen goede band. Ze kon er niet tegen dat ik ouder werd en...'
'Een normale puberteit dus,' zegt de vrouw. Mijn nagels boren zich nog iets dieper in mijn vel. Ik wil uitleggen dat het meer was dan dat, maar kan de energie niet vinden. Dus ik stamel een ontkenning, maar ze luistert er niet naar.


Toch moet ik nog steeds doorzetten. Elke vezel in mijn lijf schreeuwt dat ik naar buiten moet rennen, maar als ik dat doe, is mijn tijd op school echt voorbij. Dus ik blijf zitten.
'Rond mijn veertiende begon ik met automutilatie,' zeg ik zachtjes.
'Welke vorm?'

'Snijden,' fluister ik. Onmiddellijk schieten haar ogen naar mijn armen. Ze kijkt kritisch en ik voel me slap worden onder haar blik. Beledigd zelfs. Probeert ze nu serieus te zoeken naar littekens? Voor het eerst dringt het tot me door dat ze waarschijnlijk zoekt naar bewijs. En het feit dat ik moet bewijzen hoe ik me voel, maakt me angstig. De aanval die ik eerder al voelde opkomen, begint door te zetten.
'En waar deed je dit dan?' vraagt ze. Er klinkt iets in haar stem; iets bekritiserend. Ik voel me klein worden.
'Mijn bovenbenen. Ik wilde dat niemand het zag. Rond mijn twintigste ben ik gestopt.' De vrouw schrijft weer iets op.
'En heb je wel eens naar het ziekenhuis gemoeten? Hechtingen nodig gehad?'
'Nee,' antwoord ik, hoewel dat niet waar is. Ik heb wel degelijk een paar keer hechtingen nodig gehad omdat ik net iets te diep was gegaan. Ik koos er alleen voor om wekenlang rond te lopen met een wond die telkens opentrok, tot het zichzelf begon te helen.

'Hmm. Dus je benen zien er niet zo mooi meer uit?'
Even heb ik zin om te krijsen. Nee, er zitten een paar flinke littekens. Wat moet ik doen om het te bewijzen? Ze laten zien? Alsof dit allemaal nog niet erg genoeg is.
De vrouw leunt achterover. 'Heb je wel eens zelf op internet gekeken wat er met je aan de hand kan zijn?'
Ik knik. Natuurlijk ben ik na een tijd gaan googlen. Kwam erachter dat er meer mensen zijn die denken op mijn manier. Die ook constant in angst leven. Hoe opgelucht ik me voelde toen ik besefte dat er een naam was voor mijn angst. Dat vertel ik haar.
'En heb je wel eens overwogen dat je ook borderline zou kunnen hebben?' vraagt ze glimlachend. 'Weet je wat dat is?'
'Mijn moeder werkt met mensen die dit hebben,' zeg ik koeltjes. 'En ik ben er zeker van dat ik het niet heb.'
'Nouja, zeker kan je natuurlijk nooit zijn. Het is heel goed mogelijk dat je geen angststoornis hebt, maar dat het borderline is. Zeker omdat je ook gesneden hebt. Verder zijn er stemmingswisselingen...'
'Ik heb geen stemmingswisselingen,' onderbreek ik haar, maar ze luistert niet en praat gewoon verder.
'Weet je, mensen zoals jij missen het stofje in hun hersenen dat je gelukkig maakt. Dat is niet erg en heel makkelijk op te lossen met medicatie. Maar omdat jij bij een psycholoog zit, ga je die medicatie niet krijgen. Je moet je dus laten doorverwijzen naar een psychiater en onmiddellijk met medicatie beginnen.'
Ik kijk haar sprakeloos aan. Vraag me af of ik keihard moet huilen of haar uit moet schelden. Onder de tafel begin ik met mijn nagels in mijn armen te krassen om rustig te blijven. Deze vrouw is geen psycholoog of een psychiater. Ze werkt op school en valt onder verzuim. Ze heeft geen zorgachtergrond. Ze snapt niets van mijn angst en dit maakt alles erger.
Dan leunt ze naar voren en zegt op vertrouwelijke toon: 'Ik weet waar je doorheen gaat. Ik heb zelf ook een jaar thuis gezeten met een burn out.'
Mijn automatische, vriendelijke piloot neemt het over. De angstkant, die me verplicht iets aardigs te zeggen. Dus ik brabbel dat ik het erg voor haar vind, maar in mijn hoofd is het chaos, alsof er net een waanzinnig verkeersongeluk heeft plaatsgevonden. Je kunt een burn out niet vergelijken met een angststoornis. Je kunt niet op eigen houtje diagnoses gaan uitdelen. Je kunt niet zomaar iemand checken op littekens. Ik wil opstaan, schreeuwen, gooien met spullen en krijsen dat heel school de godsklere kan krijgen. Dat het grootste gedeelte van mijn problemen is ontstaan door mensen zoals zij. Mensen die zich niet kunnen inleven in een ander en hun ogen sluiten voor iemands gevoelens.
Als ik het niet voel, dan zal het wel niet bestaan en dan liegt en overdrijft de ander.
Mensen zoals zij hebben alles kapot gemaakt. Maar ik doe niets. Ik blijf zitten waar ik zit, bevroren. Te bang om nog te praten. Te bang om het verkeerde te zeggen. Ze begrijpt me niet. Gelooft me niet. Het maakt niet uit. Vanaf dit moment kan ik alleen maar ja knikken en meegaan in het praatje.


Er worden maatregelen opgesteld. Elke dag naar school van 10:00 tot 15:00. Dat is heel schappelijk, vind zij. Ik heb de energie niet meer, noch de kracht om te zeggen dat dat niet gaat lukken. Dat ik wakker kan worden met het gevoel dat de wereld vergaat. Ik doe nog een laatste poging en vraag wat ik moet doen alsof ik een dag heb waarop het echt niet lukt.
'Als je nu eens wat eerder opstaat? Dan heb je tijd zat om te wennen aan het idee dat je naar school moet.'
Ohja, alsof ik mijn aanvallen even kan inplannen. Alsof ik daarna niet doodmoe ben. Maar ik kan niet eens meer protesteren. Het lukt simpelweg niet. Mijn angst wil niet dat ik me laat zien als moeilijk en tegendraads, dus knik en zeg: 'misschien dat dat kan werken.'
Elke schooldag moet ik eerst even bij haar langskomen. Als dat niet gaat, dan moet ik bellen.
'Liever appen,' zeg ik nog, 'bellen is lastig voor me.' De vrouw glimlacht.
'Dan wordt het bellen. Ik ga je uit je comfortzone trekken.' Een golf misselijkheid slaat door me heen bij de gedachte alleen al. Je kunt niet iemand uit zijn comfortzone halen als diegene dat niet wilt en er niet klaar voor is. Maar wederom lukt het me niet te protesteren en ik ga maar gewoon akkoord.


Ik eindig met afspraken waarvan ik weet dat ik het niet ga volhouden. We lopen naar mijn mentor.
'Met haar cognitieve verstand is niets mis,' zegt de vrouw glimlachend, 'ze heeft gewoon weinig zelfvertrouwen. Ik geloof er niets van dat ze het allemaal niet kan.' Mijn mentor kijkt me snel aan.
'We geloven uiteraard wel dat er dingen in je leven gaande zijn,' zegt hij vlug. De vrouw knikt.
'Dat wel. Maar je bent slim genoeg om deze opleiding te halen. Wist je dat ze eerst op een school zat waar je een toelatingstest voor moet doen? En nog stopte ze ermee omdat ze bang was niet goed genoeg te zijn. Terwijl er jaarlijks honderden leerlingen zijn die een moord zouden doen voor die plaats. En als ze op de middelbare school door was gegaan, had ze nu op de universiteit kunnen zitten. Zo zonde, meisje. Daarom zou ik het zo jammer vinden als je hier je diploma niet haalt.'

Ik kan inmiddels alleen maar huilen, omdat dit wederom bevestigd dat ze geen snars heeft meegekregen van mijn verhaal. Maar ik plak een glimlach op mijn gezicht en zeg: 'dat zou inderdaad zonde zijn.'

Na anderhalve week gaat mijn telefoon. De vrouw. Zegt dat dit zo niet werkt. Dat niemand me op school heeft gezien. Dat ik morgen maar weer op gesprek moet komen. Ik wil in de hoorn schreeuwen dat ik een week niet geslapen heb door haar. Dat ik alleen maar banger ben. Dat ik niet naar school wilde met het vooruitzicht eerst nog langs haar te moeten. Dat mijn psycholoog kwaad werd toen ik vertelde wat ze allemaal had gezegd en de manier waarop. Maar mijn angststoornis neemt het over. De angst dat iemand iets slechts over me denkt.
'Is goed,' mompel ik, waarna ik ophang en mezelf huilend op bed gooi.