Een maand later


Lieve mama,

Een maand is het alweer, een maand geleden ging je met de engelen mee en bleven wij hier achter. Een maand van regeldingen, eerst natuurlijk de begrafenis en daarna het huis. Jouw huisje, het huisje waar je negen en een half jaar geleden bent komen wonen na je scheiding. Strijdvaardig was je, je wilde wel een tuintje. Je had een urgentieverklaring en dan mag je dus geen woningen weigeren, maar je zou ertoe in staat geweest zijn om een galerijflat te weigeren. Maar je kreeg wat je gewenst had: een huisje met een tuintje. Een tuintje om in te rommelen. En mam, ik heb sinds drie maanden ook weer een tuintje om in te rommelen en ik heb eerder een tuin gehad, dus ik weet wat het is. Ik heb altijd gezegd dat ik van tuinieren hield omdat mijn vader nu eenmaal tuinman was, maar ik realiseer me nu dat mijn manier van tuinieren jóuw manier van tuinieren is! Rommelen met potjes, wat zaaien en kijken wat het wordt, ik vind daar zoveel rust in!

Je huisje leeghalen. Ik zou gedacht hebben dat dat heel erg moeilijk zou zijn, maar dat was het eigenlijk niet, een paar momenten daar gelaten natuurlijk. Je dochters hebben samen de klus geklaard, bijna dan, de laatste dingetjes moeten nog gebeuren en dan leveren we binnenkort de sleutel van jouw eigen plekkie in. Ik verwacht dat dat wel moeilijk wordt. Alles is door onze handen gegaan, de vele doosjes tictac en pakjes papieren zakdoekjes, in elke tas zat er van beiden één. Maar ook de grotere belangrijke dingen: wie neemt de mandoline en wie de grote blauwe vaas die wij nu ‘de Mingvaas’ noemen? Vondsten waar we niets van afwisten: zilver bestek en nog meer spullen die bij onze ongetrouwde oudtante vandaan kwamen, het poesie album van jouw moeder. Geld vonden we ook overal, een paar euro in een potje in de gang voor collectanten, een hand kleingeld in een laatje, een briefje van tien in je jaszak, een briefje van twintig in een boek… we moesten dus alles nakijken! Deze eigenschap heb je van je overgrootmoeder die, zoals je weleens vertelde, af en toe een hand geld in de kelder gooide, dan had je altijd nog wat. Wij denken dat deze eigenschap nu wel is uitgestorven, maar ik herinner me niet dat je dit vroeger ook al deed eigenlijk, dus misschien ontstaat het op latere leeftijd.

Kaarsen, waxinelichtjes, tien mascara’s terwijl je al jaren geen make-up meer droeg. Postzegels op allerlei plekken, terwijl je laatst nog een kaart wilde sturen, maar geen postzegels in huis dacht te hebben. Bergen kleding kwamen er uit je kast, ik wist niet dat je zoveel had! Zeker vijf broeken waar de kaartjes nog aan hingen. Ik heb ongeveer dezelfde maat schoenen als jij, dus ik heb je mooie schoenen meegenomen en die draag ik nu. Ze zijn een tikkeltje te groot, maar dat heb ik met een inlegzooltje opgelost. Schoenen die je al jaren niet meer kon dragen omdat je er niet stabiel genoeg op stond. Alle glazen en bloempotten zijn door onze handen geweest, we hebben ze verdeeld, een deel gaat naar de retourboer.

In de schuur vonden we de spulletjes van de letterbak. De letterbak! Gemaakt door jouw vader. Hij stond vol met kleine beeldjes van glas, tin en zo meer. Nostalgie! Beiden hebben we onze herinneringen eruit gekozen en dat ging zoals het steeds is gegaan, in goed overleg. We vinden beiden meestal net andere dingen heel leuk, dus het verdelen gaat als vanzelf. Ik heb de kop en schotel op de kast staan die opa op Terschelling kocht, ik heb het porseleinen miniserviesje uit de letterbak, het tin is bij mijn zus.

Ook je sieraden zijn verdeeld. Je was geen sieradenmens, je droeg alleen op verjaardagen lange kettingen met gekleurde stenen en die ene ring, de ring die je liet maken van een ringetje met drie robijntjes die je van je eigen oma gekregen hebt, maar al lang niet meer paste, en je trouwring. Een mooi ringetje was het geworden dat je altijd droeg op verjaardagen. Maar er waren ook nog sieraden van Loesie, de ongetrouwde oudtante, hele leuke zilveren kettinkjes waar ik er een paar van heb en die ik nu ook draag. Maar wie krijgt de ring met de robijntjes? Ook was er nog het gouden schakelarmbandje met de twee kinderkopjes, van mij en mijn zus. Vorige week zijn we bij de juwelier geweest en gisteren hebben we het opgehaald: de armband heb ik nu hier op mijn nachtkastje liggen, het kinderkopje van mijn zus heeft zij zelf, die is voorzien van een oogje zodat zij hem aan een ketting kan dragen. De ring heeft zij, ze past hem en hij past bij haar. Ik heb zelf een ring uitgezocht als nagedachtenis aan jou, een gouden ring met een draaiing erin zoals de robijnenring die ook een beetje heeft en met een mooi schitterend steentje erin, schitterend als het licht, het licht waar jij heen bent gegaan, een maand geleden.