Objectiviteit in de wetenschap


Als nieuwe paradigma's worden geïntroduceerd, worden deze door de gevestigde wetenschap steevast als klinkklare onzin weggezet. Irritatie en ergernis voert meestal de boventoon in de reacties van wetenschappers die hiermee worden geconfronteerd. Interessant is om te onderzoeken hoe het komt dat wetenschappers altijd zo resoluut en absoluut overtuigd zijn van hun gelijk, en daarmee met het vermeende ongelijk van hun 'tegenstanders'. Je moet je dan proberen in te leven in de belevingswereld van de wetenschapper.

Thomas S. Kuhn publiceerde in 1962 zijn boek “The Structure of Scientific Revolutions”.

In dit boek stelt Kuhn dat wetenschappelijk onderzoek door wetenschappers onterecht gekwalificeerd wordt als een objectieve activiteit die los staat van emoties.

Hij stelt dat zodra wetenschappers een bepaald paradigma als ‘waar’ hebben aangenomen, ze zich ook emotioneel aan dat paradigma gaan hechten – precies zoals een moeder haar baby koestert.

Zodra er ook maar iemand opstaat die die ‘waarheid’ (hun kindje) aanvecht, worden ze daarom direct defensief waarbij ze er halsstarrig van overtuigd zijn -en blijven- dat hun getoonde irritatie de ergernis is van een redelijk mens die geconfronteerd wordt met tijd verspillende absurditeiten. Een redelijke discussie met hen voeren is dan ook onmogelijk, ergo ze betichten hun 'tegenstanders' ervan dat alles verzonnen is en op onwaarheden berust.

Om deze reden stuiten grote wetenschappelijke revoluties waarin paradigma's verschuiven daarom dan ook altijd op enorme weerstand onder de gevestigde orde van wetenschappers – denk aan Copernicus, Newton en Einstein met zijn kwantum theorie, zij hebben dit allen aan den lijve ondervonden.

De gerenommeerde Britse geofysicus Sir Harold Jeffreys bleef wat dat betreft zelfs tot in de jaren ’60 volhouden dat de aardkorst immobiel is, ondanks een grote hoeveelheid aan overduidelijk bewijs dat toen al aanwezig was met betrekking tot tektonische activiteiten van de aardplaten. 

De houding van deze toch zeer hoog geachte Britse geofysicus bevestigt de stelling van Thomas Kuhn op een wel zeer confronterende wijze.

Haal deze Kuhn wijst erop dat de hoeveelheid bewijs die nodig is om dergelijke diep vastgeroeste overtuigingen om te vormen, enorm is – aangetoonde feiten hebben daarom dan ook absoluut geen waarde voor hen die krampachtig blijven vasthouden aan achterhaalde overtuigingen, iets wat tot op de dag van vandaag nog steeds stand houdt.weg en vul hier je tekst in.

Toen Rand Flem-Ath voor de ‘Business International’ groep werkte, een consultancy firma die zich heeft gespecialiseerd in het doen van wetenschappelijk onderzoek voor het kader van bedrijven, raakte hij bevriend met een student van Kuhn.

Tijdens talloze gelegenheden bespraken ze de theorie van de verschuiving van de aardkorst (van Hapgood), waarbij Rand uitlegde hoe deze theorie het ontstaan van agricultuur, uitsterven van diersoorten en ijstijd patronen verklaart (lees meer in onder andere Eden, Paradijs en Hemel).

De student gaf  na enkele maanden te kennen er van overtuigd te zijn dat Charles Hapgood’s theorie van de verschuiving van de aardkost een prachtig voorbeeld was van de door Kuhn beschreven paradigma verschuivingen - en de gerelateerde vijandige reakties die dit onder de gevestigde orde van weten-schappers veroorzaakt.

Totdat Rand Flem-Ath op een dag toegaf aan Kuhn's student dat zijn interesse voor dit onderwerp getriggerd was door Plato’s beschrijving van Atlantis ....vanaf dat moment weigerde de student elke verdere discussie met betrekking tot de Hapgood's aardkorst verschuivingstheorie. 


© Dewaputra