×

Yoors


Inloggen
×

Yoors











DIA DI TULA (de dag van Tula)

DIA DI TULA (de dag van Tula)


Op 17 augustus 1795, vandaag 223 jaar geleden begon op Curacao de grote slavenopstand.

Tula, al jarenlang slaaf op plantage Kenepa, nam het initiatief:

Hij sprak zijn medeslaven toe, legde samen met ongeveer veertig tot vijftig van hen het werk neer en ging naar zijn 'eigenaar' de plantagehouder Caspar Lodewijk Van Uytrecht om voor hun vrijheid te pleiten.

Uit de overgeleverde bronnen over Tula blijkt dat hij, zeker voor een slaaf, goed geïnformeerd was, meerdere talen sprak en bedreven was in de retorica. Zo gebruikte hij argumenten uit de christelijke leer en de politiek en verwees hij naar de veranderende wetten van zijn tijd.

Van Uytrecht verwees hem door naar de gouverneur, om bij hem zijn verhaal te doen; de groep onder Tula’s leiding vertrok.

De groep trok over het eiland langs verschillende plantages, zoals Lagun, Santa Cruz, Porto Marie, San Nicolas, Santa Martha en San Juan, waarbij steeds meer slaven zich aansloten. Ze bevrijdden slaven die gevangen zaten, zodat uiteindelijk de groep onder leiding van Tula werd uitgebreid tot tweeduizend slaven.

De Koloniale Raad probeerde door te onderhandelen, de opstand in de kiem te smoren en de slaven terug te laten keren naar hun plantages. Verschillende gezanten werden gestuurd om met Tula te spreken als leider van de opstand en deden hier verslag over. Deze ‘blanke’ bronnen vormen het merendeel van wat bekend is over Tula. Een van de gezanten was de franciscaner pater Jacobus Schinck. In zijn geschriften vertelt hij:

“Toen ik het huis binnentrad, trof ik een neger genaamd Tula, voorzien van een degen, en men noemde hem kapitein. Veel negers kwamen rondom mij staan. [...] Tula begon te spreken: ‘Wij zijn al te erg mishandeld. Wij willen niemand kwaad doen, maar we willen onze vrijheid. De Franse negers hebben hun vrijheid gekregen, Holland is ingenomen door de Fransen en daarom moeten wij ook hier vrij zijn'

Tula verwijst hiermee naar de ontwikkelingen in de internationale politiek en trekt hieruit logische conclusies voor de situatie op Curaçao.

Ook de Bijbel wordt in de redevoering van Tula betrokken:

'...komen alle mensen niet voort uit Adam en Eva? Heb ik er kwaad aan gedaan dat ik 22 van mijn broeders verlost heb van hun boeien die hun onrechtmatig waren aangedaan? […] Ach Pater, men draagt meer zorg voor een beest: als een beest een been breekt, wordt het genezen.'


Tula besluit zijn pleidooi met een boodschap aan de gouverneur::

“Wij verlangen niet anders dan onze vrijheid.”

Vrijheid werd echter niet aan de slaven gegund, waarop enkele weken van bloedige slagen met het leger van de Koloniale Raad volgden met wisselende successen.

Uiteindelijk werd Tula op 18 september 1795 verraden door een medeslaaf van Caspar Lodewijk van Uytrecht en ter dood veroordeeld nadat hij een valse verklaring had moeten afleggen dat zijn eigenlijke doel was om alle blanken op het eiland te vermoorden.

Na langdurige martelingen bekende Tula dat hij zich had laten inspireren door de Franse revolutie en de bevrijding van de slaven op Haïti. Hierdoor zou hij vinden dat op Curaçao de slavernij afgeschaft moest worden door de blanke overheersing omver te werpen en zelf de regering over te nemen.

Op grond van deze gedwongen bekentenissen werd Tula uiteindelijk geëxecuteerd op een manier die in die tijd gebruikelijk was. Hij werd vastgebonden aan een kruis, waarna, beginnend bij de voeten, zijn botten werden gebroken met een ijzeren staaf (levend geradbraakt).

Daarna werd zijn gezicht geblakerd (verbrand) met fakkels en vervolgens werd hij onthoofd. Zijn hoofd werd samen met die van 'mede-opstandeling' Bastian Carpata op een stok gezet en diende vervolgens als afschrikmiddel op het galgenveld.

De rest van hun lichamen werd, samen met dat van Pedro Wacao, (eveneens 'mede-opstandeling') verzwaard in zee gegooid.

Documenten

In de overgeleverde documenten uit 1795, zoals de journalen van Curaçao en de notulen van de extraordinaire politieraad, waarin verslag werd gedaan van de gebeurtenissen, wordt er gesproken over ‘de rebelleerende neeger’ of ‘opperhoofd der rebbellige negers’.

In de meerderheid van de gevallen wordt benadrukt dat het gaat om een ‘neeger’ en de ‘slaaf van de heer Casper Lodewijk van Uytrecht’ en daarmee om een minderwaardig persoon.

Meer specifiek wordt Tula daarin omschreven als ‘het hoofd, aanlijder, en aanvoerder van het moordzieke rot’ en ‘een zeer geveijnsd schurk’.

De Raad-fiscaal P.Th. van Teylingen stelt zelfs voor om na de onthoofding van Tula boven zijn kop(!) een inscriptie te plaatsen met: ‘het opperhoofd der moordenaars, plundering en brandstichters’.Het gezag zorgde er zo voor dat Tula diende als afschrikmiddel: als iemand het in zijn hoofd zou halen om weer in opstand te komen, dan zou diegene hetzelfde lot wachten.

Erfenis

Na Tula’s dood zorgden de Nederlandse autoriteiten ervoor dat de planters hun slaven 'beter' gingen behandelen om meer opstanden te voorkomen.

Op 20 november 1795 werden nieuwe regels van het beruchte slavenreglement voor de behandeling van slaven bekendgemaakt, die streng werden nageleefd. De zondag werd bijvoorbeeld weer een vrije dag, er kwamen voorschriften voor een maximale werktijd en een minimale verstrekking van voedsel en kleding.

Het verzet van Tula droeg ertoe bij dat Nederland achtenzestig jaar later (in 1863, vele jaren na Engeland en Frankrijk) de slavernij heeft afgeschaft.


In 1985 werd door middel van een proclamatie 17 augustus, de dag waarop de opstand begon, uitgeroepen tot de Dia di lucha pa libertat: de Dag van de Vrijheidsstrijd.

Ieder jaar wordt op deze dag de opstand herdacht en worden de leiders en met name Tula geëerd, waardoor het ook wel de ‘Tula herdenking’ of ‘Dag van Tula’ wordt genoemd.[

In hetzelfde jaar werd bij het rif de Parke di Lucha pa Libertat (het Park van de Vrijheidsstrijd) geopend, waar sinds 1998 een standbeeld van Tula staat op de plek waar hij onthoofd is.