Aankomst in de straat


Dit ging er aan vooraf:

Het was inmiddels acht uur toen Bastiaan in zijn Porsche stapte. Broer Gustaaf kroop achter het stuur. “Plánkgas!” beval Bastiaan en Gustaaf scheurde zo hard weg dat Bastiaan in de rugleuning van zijn stoel gedrukt werd. “Niet zó hard! Anders rij ik wel!” Maar Gustaaf negeerde het en reed roekeloos verder. Plots zag hij een auto over het hoofd. “KIJK UIT!!” Riep Bastiaan. Op het allerlaatste moment trok hij aan het stuur. De Porsche raakte van de weg en belandde op zijn kant in een greppel.

Een echtpaar stapte uit de auto, die op het nippertje was ontweken. Ze zagen de inzittenden bewusteloos in het voertuig zitten. Uit de motorkap kwam rook. “We moeten 112 bellen!” zei de man. Terwijl hij belt jammert zijn vrouw: “Stel je voor dat ons wat was gebeurd! Dat zou verschrikkelijk zijn voor Merlijn, die nu helemaal alleen thuis is…” “Momentje!” hij gebaart naar zijn vrouw dat ze stil moet zijn. Dan legt hij uit waar ze zich bevinden en de stem aan de andere kant van de lijn stelt hem gerust dat er binnen tien minuten een brandweerwagen en ambulance zullen arriveren. Een politieauto is snel ter plaatse en een agent informeert naar de toedracht. Hij noteert hun adresgegevens, voor als er nog vragen zijn. Dan wendt de man zich tot zijn vrouw: “Gelukkig zijn wij in orde, schat. Kom, stap in.” “Ik stap in, maar je rijdt naar huis zeg ik je.” “Okee, okee..!” met tegenzin doet de man wat zijn vrouw van hem verlangt. Hij had zich verheugd op een dagje uit met zijn vrouw.

Jan-Willem was in zijn Ferrari inmiddels aangekomen in de straat waar zich, volgens de mysterieuze man, het doosje zou bevinden. Hij hield wel van wat spanning en zag het voor zich dat hij het zou zijn die de beloning kreeg. Want hij was vastberaden om het doosje terug te brengen.

Frida, de buurvrouw van Merlijn, loerde vanachter haar geraniums naar de diverse prachtige voertuigen en vroeg zich af wat ze in deze straat deden. Ze zag een heerschap uit de Ferrari stappen en naar nummer 1 lopen, alwaar hij aanbelde. Aangezien het schuin tegenover haar was, kon ze het redelijk goed zien. Niemand deed open. De man liep naar het huis ernaast. Ook daar geen beweging. “Vast een Jehova getuige”, mompelde Frida en ze nam weer plaats in haar feautuille om verder te gaan met haar haakwerk.

Frederik kwam in zijn nieuwste Mazda de bocht om. Jan-Willem stak net over en het scheelde weinig of hij lag op de motorkap. “Wil je wel uitkijken, Frederik!” schreeuwde hij. Frederik drukte op de knop van zijn portier zodat het raam open ging en zei: “Sssssst!!! Stíl nou. We hoeven niet op te vallen!” “Nou dat doen we vanzelf wel als jij zo komt aanscheuren! En moet je die anderen zien. Valt niet op, zoveel sjieke auto’s bij elkaar!” zei Jan-Willem nors en liep terug naar zijn auto.
Daar parkeerde Pieter-Hendrik zojuist zijn Mercedes-Benz.

Huibert, Herman, Jacques en Albèrt zaten in een limousine op de hoek van de straat.
Door de geblindeerde ramen konden ze op hun gemak de omgeving observeren.
Een van hen viel het op dat Jean-Luc nog nergens te bekennen was. Maar hij zei het niet hardop.
Ze stapten alle vier uit en begaven zich naar nummer 5.
“Hoe zie je het voor je, om daar met zijn vieren aan te bellen! Laten we ons minstens opsplitsen!”
Huibert belde aan en Herman ging naast hem staan.
Jacques en Albèrt belden aan bij het huis ernaast. Jacques drukte op de belknop.
Op 5 deed een oud vrouwtje de deur open, op een kier. Ze zag de heren in pak staan. “Ik koop niet aan de deur!” zei ze en sloeg de deur dicht.
Op 7 deed een vent open. Zijn baard was nodig aan een knipbeurt toe. Hij droeg een gescheurd hemd. Zijn bierbuik puilde eronder uit. Op zijn broek zaten niet te definiëren vegen. “Wat mot je?” kwam er onvriendelijk uit.
Albèrt stootte Jacques aan. Deze begon: “Goedemiddag, heeft u misschien dit doosje gezien?”
“NEE! En nou wégwezen!”en ze vertrokken.
Intussen bewoog een man zich naar de achterkant van nummer 13, op de hoek van het blok.

Het vervolg:

Geschreven n.a.v. de:

Dit deel bevat exact 700 woorden.