Lukt het Jean-Luc?


Hier is het verhaal begonnen:

Dit is het voorafgaande deel:

Hij moest Albèrt voor zijn. Desnoods (tijdelijk) uitschakelen. Hij mocht de anderen absoluut niet inlichten. Hij ‘leende’ een mountainbike die niet op slot stond en probeerde Albèrt in te halen. Binnendoor tussen de wijken, stoep op, stoep af, tussen wat mensen door, kinderen en bal ontwijkend. Bij een sloopbedrijf zag hij hem! Hij smeet de fiets in het gras en hield van achteren een doekje met chloroform voor de mond van zijn ‘slachtoffer’.
Onder de oksels sleepte hij hem ongezien en legde hem in de kofferbak van een auto.

Het was inmiddels donker geworden.
Er was geen tijd meer te verliezen. Albèrt zou ondertussen wel zijn bijgekomen en uit de auto ontsnapt, want die is niet op slot.
Het slaapkamerraam van Merlijn stond open.
Er zat niets anders op dan naar binnen te sluipen.
Net voordat Merlijn wou gillen dat er iemand bij hem was, hield Jean-Luc een hand op zijn mond.
In de van angst wijd opengesperde ogen sprongen tranen.
“Ssjt… ik doe je niets.” kalmeerde Jean-Luc hem. “Echt niet. Ik zag je net kijken naar het licht dat door het luik scheen. Weet jij waar dat vandaan komt?” “Ja,” stotterde Merlijn van angst. Een vreemde man in huis is niet niks. “van een doosje dat ik vond op zolder.” Jean-Luc keek hem zo vriendelijk mogelijk aan. “Dat doosje is van mij en ik wil het graag terug.” “Oh! Dáárom wisten pa en ma het niet!” zei Merlijn hardop. “Sssssjt!! Fluisteren!” Te laat. Zijn ouders hoorden hem.

“Merlijn?” Moeder kwam de trap op. Jean-Luc verstopte zich snel onder het bed van Merlijn.
“Alles okee jongen?” vroeg zijn moeder terwijl ze hem door de haren streek.
Hij deed alsof hij sliep, door zijn ogen dicht te houden en niet te reageren. “Hij zal wel in zijn slaap hebben gepraat”, zei z’n vader, die inmiddels achter haar stond. Samen verlieten ze de kamer en gingen terug naar beneden.

Toen Jean-Luc zeker wist dat de kust veilig was, deed hij heel zachtjes de zoldertrap omlaag.
Merlijn sloop naar boven om het doosje te pakken en gaf het aan hem.

“Hoe kwam het eigenlijk hier terecht?” “Schuif eens een beetje? Dan kan ik zitten.” Merlijn deed wat hem gevraagd werd. “Het stond hier al voordat jullie hier kwamen wonen. Het is van mijn achter-achter-achter-kleinzoon, die nog geboren moet worden. Sorry, ik kan je er niet teveel over vertellen. Hoe minder je weet, hoe beter. Je mag hier niemand over vertellen. Ik stop je nu toe en als je wakker word, ben je mij hopelijk vergeten.”
Merlijn valt in diepe slaap en Jean-Luc vertrekt met het doosje. Eenmaal buiten opent hij het deksel. Een flits en hij is weg. Terug naar betere tijden. Alwaar hij het doosje vernietigt.

De volgende ochtend ontwaakt Merlijn. Hij kon zich alles nog precies herinneren. Hij haastte zich naar de zolder, op zoek naar het doosje, maar kon het nergens vinden. Zo gedetailleerd droomde hij soms… of…?

Zoals wel vaker ging Merlijn die middag kletsen bij de buurvrouw. Hij vertelde haar over zijn droom.
Frida dacht bij zichzelf: “Die auto’s waren er echt. En ik meende ook een man bij hun in de tuin te hebben gezien.” maar hield het wijselijk voor zich.


Geschreven n.a.v. de: