Over een beul die mij bijna liet smeulen.


Tijdens de vakantie aan de Moezel trok Burcht Ulmen mij op de een of andere manier aan.
Ter plaatse probeerde ik me voor te stellen wat zich daar vroeger zou kunnen hebben afgespeeld.
Waren er ridders en jonkvrouwen? Of Tovenaars en heksen? Koningspaar en dienaren?

Vanaf een overgebleven muur staarde ik over het landschap in de omgeving.
Net als ik me wil omdraaien om mij naar mijn gezin te begeven, zie ik hen nergens…

We bezochten de ruïne op klaarlichte dag, maar het is avond.
De muur was geen op zichzelf staand object meer, maar onderdeel van een vesting om mij heen.
Ik keek naar de grond en zag dat ik me daarboven bevond.
Vastgebonden. Aan een paal. Boven een heleboel takken.

Een man met een masker over zijn hoofd – ik vrees een beul – naderde met een brandende fakkel.
Toen zag ik ook de menigte om ons heen. Ons ja, want naast mij bevonden zich nog twee vastgebonden dames, eveneens doodsbang.

Een vrouw riep: “Verbrand ze! Die héksen!” “JAAAAA” joelde de menigte en herhaalt haar oproep.
De ‘beul’ zei: “Het hout gaat NU in de hens!” Terwijl de fakkel dichterbij kwam, riep ik heel hard “STOP! Ik wil graag nog wat zeggen.”
De aanstichtster zei: “Het interesseert me totaal niet wat je nog te zeggen hebt. Je hebt ons alleen maar ellende gebracht.
Er was nog nooit zoveel regen, de oogst is mislukt en onze mannen hebben een oogje op jou. “Op mij?! Ik ken jullie helemaal niet. Ik ben niet van hier!” Ze bulderde van het lachen. Een heel gemeen lachje.
“Hebben jullie haar gehoord? Ze geeft openlijk toe, niet van hier te zijn!” “Maar.. maar...” probeerde ik nog. De vrouw wees de beul naar de takken. “Steek aan! Branden zal ze! Zij het eerst!”

Ik sloot mijn ogen en deed een schietgebedje. “Blus de vlammen en maak haar los!!” beval iemand. Voorzichtig opende ik mijn ogen. Mijn schoenzolen waren al bijna geraakt. Net op tijd, die held. Het was een neef van de hertog en hij bleek mij te kennen. Ik keek nog eens goed. Het leek mijn echtgenoot wel! Mijn eeuwige redder in nood! De beul deed onmiddellijk wat hem werd opgedragen. “Liefste!” viel ik hem in de armen. “De andere twee ook redden...” kreeg ik er nog net uit en viel flauw.

“Waar heb je het over?” informeerde mijn man, die zich al afvroeg waar ik met mijn gedachten was.
“Welke twee anderen?” vroeg mijn zoon.
“Oh niks...” en ik pakte hen beiden heel stevig vast.
Terug op de camping heb ik er geen woord meer over gezegd.

Bovenstaande tekst past in deze uitdaging:

Gerelateerd:

Header afbeelding van Enrique Meseguer via Pixabay