De Trap


In de verte onder een grote eikenboom zag ik iemand liggen, die ik dacht te kennen. Het was Rob. Hij lag te genieten op een kleed in de schaduw van de boom. Toen ik dichterbij kwam kreeg hij me in de gaten en sprong op. We renden op elkaar af en omhelsden elkaar innig. Ik wilde hem niet loslaten. We hadden elkaar zo lang niet gezien. Ik besefte op dat moment hoe veel ik hem miste. Vroeger woonde hij in de Kinkerstraat in Amsterdam. Ik vertelde hem dat zijn kleine woning van 40m² tegenwoordig verkocht wordt voor bijna drie ton. Hij kon het niet geloven. Toen hij er woonde betaalde hij tachtig gulden huur per maand. Ik vertelde hem ook dat jongeren tegenwoordig massaal pilletjes slikken als ze uitgaan. Hij was toen één van de weinigen, die wel eens een pilletje nam. Ik vroeg ook of hij spijt had van zijn daad, maar daar kreeg ik geen duidelijk antwoord op.

Verderop bij een beekje zag ik een jonge vrouw van een jaar of dertig. Ze was er met een paar kinderen aan het spelen. Ze maakten lol met elkaar en ik hoorde ze af en toe hard lachen. Ik herkende haar direct. Ik had haar zoontje behandeld toen ik nog maar net met de praktijk begonnen was. Ze kwamen wekelijks bij me en we hadden direct een heel fijn contact. Twee kleine zoontjes had ze, van zeven en vijf jaar. Haar man kocht nog een Suzuki Jimmy voor haar, die had ze altijd zo graag gewild, maar het was al te laat.

Iets verder daarvandaan zag ik twee mensen aan het werk. Een oude man met een bruin verweerd gezicht en grote werkhanden stond voorover gebogen in zijn moestuin. Hij trok grote struiken snijbiet uit de grond en gooide ze opzij. Een oude vrouw was druk in de weer met weckflessen en potten. Ze was wat gezet en droeg een schort voor. Ze had al een paar flessen gevuld met sperziebonen en rabarber. “Zo kunnen we de winter goed doorkomen”, zei ze. Ik riep ze, maar ze hoorden me niet, ze waren te druk met hun werkzaamheden. Het leek ook of ze me niet zagen.

De oude mensen pasten op een kleine baby van tien maanden. Hij lag heerlijk in zijn wiegje onder een grote parasol. Kirrend en druk bewegend met zijn armpjes probeerde hij mijn aandacht te trekken. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat het Ian was. Ik pakte hem op en knuffelde hem. Ik gaf hem kusjes op zijn bolle wangetjes en in zijn nekje, precies zoals zijn papa en mama ook altijd deden.

Ik liep verder en kwam bij een tafeltje, waar vier heren aan het klaverjassen waren. Er stond ook nog een man bij te kijken. Het leek een priester met zijn zwarte lange jurk. Het tafeltje stond midden op het veld. Elk van de mannen had een klein borrelglaasje met jonge jenever voor zich staan. Af en toe nipten ze eraan. Eén van hen rookte een dikke sigaar. Hij was de oudste van het stel. In zijn glaasje stond een klein lepeltje en onderin lag een beetje suiker. “Ik pas”, hoorde ik de man met het vriendelijke gezicht zeggen. Ik herkende direct zijn stem. Ik keek nog eens goed, en nog eens, dit kon toch niet waar zijn. Het beeld werd scherper en ineens zag ik mijn vader, mijn ooms en ook mijn opa.

Hoe was ik hier gekomen? Ik begreep er niets van. Ik probeerde me te herinneren wat er die avond gebeurd was. Ik was naar bed gegaan, omdat ik me wat moe voelde, en ineens stond ik onder aan een trap. De trap leek een eindeloze lengte te hebben. Ik had geen keuze en ik begon te lopen. Aan het einde van de trap kwam ik bij een veld. Het was er prachtig, het veld was frisgroen en er stonden volop veldbloemen met prachtige intense kleuren. Je hoorde er vogels zingen en soms leek het gekwetter op gesprekjes die ze met elkaar voerden. Het was er rustig en vredig.

© 1960-1980 Yvonne. Bedacht en geschreven voor de schrijfuitdaging van september 2018 van Hans van Gemert, waarbij de schuingedrukte tekst verplicht gebruikt moest worden.