hond


We zitten met z'n allen aan de tafel te genieten van een uitgebreid ontbijt.


Hij weet dat hij het niet mag, maar tòch wurmt Casper zich onder tafel om op zoek te gaan naar kruimels. Ik hou de kinderen scherp in de gaten, zij zijn het die de hond dit geleerd hebben.


Cas vergist zich in persoon en komt bij mij bietsen. Zijn lobbes-kop legt hij op mijn schoot, hij kijkt me met zijn meest verliefde blik aan. Ik kijk het monster aan en zucht...; waarom had ìk vroeger niet zo'n bakbeest?


Mijn moeder was als de dood voor dieren. Als ze halverwege het park een hond zag lopen, dan fietsten we écht niet door het park, maar moesten we òm het park heen trappen.

Een oom en tante hadden een hond, als hij mee kwam op bezoek, dan zat ze dagen van te voren al in de stress. Als ze weg waren, maakte ze het huis schoon met bleek - ja, ook de bank waar Pukkie op had gezeten.


De kans dat we een hond in huis zouden krijgen was klein, extreem klein. Mijn vader wilde wel, mijn moeder kreeg een rolberoerte bij de gedachte alleen.


En ik droomde als klein meisje heel wat af;

Wat zou het toch heerlijk zijn om de hond uit te kunnen laten en dan lekker extra lang buiten rond te zwerven.

Wat zou het toch fijn zijn om de hond mijn krootjes op te laten eten.

Wat zou het handig zijn als de hond álles zou opeten wat ik niet wou.


Maar de kans was kleiner dan nihil - het zat er echt niet in.


Ik kijk in de ogen van mijn trouwe vriend. De viervoeter die de kinderen de ganse dag bij elkaar probeert te houden, de lobbes die 's nachts voor de slaapkamerdeur ligt te waken.

Mijn trouwe vriend; hij is al zò groot en hij is nog niet eens klaar met groeien. Ik ben blij dat hij er is - dat mijn kinderen zo'n kruimeldief hebben die ìk vroeger ook zo graag had gewild.

We horen gebonk tegen de deur - een geluid waar we niet meer van opkijken. We weten wie het is en we weten ook dat we het komende uur onze viervoeter kwijt zijn.

Het is Polka, de buur-hond. Ze heeft de boerman net geholpen de koeien naar de wei te brengen en heeft nu vrij-af. Casper en Polka komen van dezelfde boerderij, maar ze zijn geen (volle) familie.

We gooien de deur open en Cas rent op Polka af - samen leggen ze beslag op de tuin.


Ik zie twee meiden zuchten, ze balen goed zichtbaar.

"Wat is er, meiden?"

Ze knikken naar hun bordjes; "waar moeten we onze korstjes nou laten?"