Geschiedenis van de hond


Er is geen ongerijmdheid in het idee dat de hond in de vroegste periode van de mens in onze wereld een vriend en metgezel maakte. Het was een soort van inheemse bewoner gelijk aan onze moderne hond, en in ruil voor de hulp om hem te beschermen tegen wilde dieren, en bij het hoeden van schapen en geiten, gaf men de hond een deel van het voedsel, een hoek in de woning, en groeide het vertrouwen om ervoor te zorgen. 

Waarschijnlijk was het dier oorspronkelijk niet veel anders dan een ongewoon zachte jakhals, of een zieke wolf, verdreven door zijn metgezellen uit de wilde meute om onderdak te zoeken in een beschermde omgeving. Men kan zich de mogelijkheid indenken dat het partnerschap begint in de omstandigheid van een paar honden die door de jagers mee naar huis worden gebracht om door de vrouwen en kinderen te worden verzorgd en opgevoed. 

In bijna alle delen van de wereld worden sporen aangetroffen van een inheemse hondenfamilie, met als enige uitzondering de West-Indische eilanden, Madagascar, de oostelijke eilanden van de Maleise archipel, Nieuw-Zeeland en de Polynesische eilanden, waar er geen teken is dat hond, wolf of vos ooit heeft bestaan als een echt dier.

In de oude oosterse landen, en over het algemeen bij de vroege Mongolen, bleef de hond eeuwenlang woest en verwaarloosd, uitgemergeld en wolfachtig, terwijl hij vandaag door de straten van de stad loopt. Er werd geen poging gedaan om het in menselijk gezelschap te brengen of om het tot volgzaamheid te verbeteren. Pas als we de archieven van de hogere beschavingen in Assyrië en Egypte bekijken, ontdekken we verschillende soorten honden.

De hond werd niet erg gewaardeerd in Palestina, en in zowel het Oude als in het Nieuwe Testament wordt de hond vaak met minachting  als een 'onrein beest' beschouwd. Zelfs de bekende verwijzing naar de herdershond in het boek Job.

'Maar nu hebben zij die jonger zijn dan ik mij bespot, van wie ik de vaders zou hebben veracht om met de honden van mijn kudde te gaan zitten' is niet zonder een suggestie van minachting. Het is veelbetekenend dat de enige bijbelse toespeling op de hond als een erkende metgezel van de mens voorkomt in het apocriefe boek Tobias (vers 16): "Dus gingen ze beiden en de jongeman zijn hond ging met hen mee. "

De grote hoeveelheid verschillende rassen van de hond en de enorme verschillen in grootte, details en uiterlijk zijn feiten die het moeilijk maken te geloven dat ze een gemeenschappelijke afstamming hadden kunnen hebben. Men denkt aan het verschil tussen de Mastiff en de Japanse Spaniel, de Deerhound en de modieuze Pommeriaan, de St. Bernard en de Miniature Black en Tan Terrier, en is perplex in het overwegen van de mogelijkheid dat ze afstammen van een gemeenschappelijke voorouder. 

Toch is de ongelijkheid niet groter dan die tussen het Shire-paard en de Shetlandpony, het Shorthorn- en het Kerry-vee, of de Patagonische en de Pygmee; en alle hondenkwekers weten hoe gemakkelijk het is om een variëteit in type en grootte te produceren door een vooraf bestudeerde selectie.

Om deze vraag goed te kunnen begrijpen, moet eerst de identiteit van de structuur in de wolf en de hond in overweging worden genomen. Deze identiteit van structuur kan het best worden bestudeerd in een vergelijking van het osseous systeem, of skeletten, van de twee dieren, die zo sterk op elkaar lijken dat hun transpositie niet gemakkelijk zou worden gedetecteerd.

De rug van de hond bestaat uit zeven wervels in de nek, dertien in de rug, zeven in de lendenen, drie sacrale wervels en twintig tot tweeëntwintig in de staart. In zowel de hond als de wolf zijn er dertien paar ribben. Elk heeft tweeënveertig tanden. Ze hebben allebei vijf voorste en vier achterste tenen, terwijl uiterlijk de gewone wolf zo veel lijkt op een grote hond, dat een populaire beschrijving van de ene voor de andere zou kunnen dienen.

Ook zijn hun gewoonten niet zo erg verschillend. De natuurlijke stem van de wolf is een luid gehuil, maar wanneer hij met honden is opgesloten zal hij leren blaffen. Hoewel hij vleesetend is zal hij ook groenten eten, en wanneer hij misselijk is zal hij aan gras knabbelen. 

In de achtervolging zal een groep wolven zich in partijen verdelen. Eén die het spoor van de prooi volgt, de ander die probeert de prooi zijn terugtocht te onderscheppen. Dit is een goede uitgekiende strategie, een eigenschap die wordt getoond door veel van onze jachthonden en terriërs wanneer ze jagen in groep.

Een ander belangrijk punt van overeenkomst tussen de Canis lupus en de Canis familiaris ligt in het feit dat de periode van de dracht in beide soorten drieënzestig dagen is. Er zijn van drie tot negen welpen in het nest van een wolf, en deze zijn blind voor eenentwintig dagen. Ze worden twee maanden lang gezoogd, maar aan het einde van die tijd kunnen ze half verteerd vlees eten dat door hun moeder of zelfs hun vader voor hen is uitgebraakt.

De inheemse honden van alle regio's benaderen in grootte, kleur, vorm en gewoonte nauw aan bij de inheemse wolf van die regio's. Van deze belangrijkste vaststelling zijn er veel te veel gevallen dat het louter toeval mag worden genoemd. Sir John Richardson die merkte op in 1829 dat de gelijkenis tussen de Noord-Amerikaanse wolven en de huishond van de Indianen zo groot is dat de grootte en kracht van de wolf het enige verschil lijkt te zijn.

Er is gesuggereerd dat het enige onweerlegbare argument tegen de verhouding van de wolf en hond het feit is dat alle huishonden blaffen, terwijl alle wilde honden hun gevoelens alleen uiten door gehuil. Maar de moeilijkheid hier is niet zo groot als het lijkt.

We weten dat jakhalzen, wilde honden en wolvenjongen die door teven zijn grootgebracht, gemakkelijk dezelfde huil gewoonte krijgen. Aan de andere kant, huiselijke honden die in de wilde vrije natuur lopen  vergeten te blaffen, terwijl er sommigen zijn die dit nog niet hebben geleerd om zichzelf te uiten.

De aan- of afwezigheid van de gewoonte om te blaffen kan dan ook niet worden beschouwd als een argument bij het bepalen van de vraag over de oorsprong van de hond. Dit struikelblok verdwijnt dus, waardoor we in de positie komen te staan van Darwin, wiens laatste hypothese luidde dat het zeer waarschijnlijk is dat de gedomesticeerde honden afstammen van twee soorten wolven (C. lupus en C. latrans) en van twee of drie andere twijfelachtige soorten wolven namelijk de Europese, Indische en Noord-Afrikaanse wolven. 

Van minstens één of twee Zuid-Amerikaanse hondensoorten, van verschillende rassen of soorten jakhals,  en misschien van één of meer uitgestorven soorten. En dat het bloed hiervan in sommige gevallen samengevoegd is, en in de aderen stroomt van onze gedomesticeerde rassen.