Mysterie in het paviljoen


De vrolijke muziek is al van verre te horen. Op het strand staat de bekendste strandtent van de omgeving, al weet niemand precies wie de eigenaar is. Daar wordt nogal geheimzinnig over gedaan. Niemand heeft hem ooit in levende lijve mogen ontmoeten, maar vanavond zal hij aanwezig zijn op dit zomerfeest. Een prachtige aanleiding voor Martin om toch maar even een kijkje te nemen. Want zo’n kans laat je natuurlijk niet aan je voorbij gaan. De man zou geen speech houden, daar had hij de bedrijfsleider voor, maar zich onopvallend bewegen tussen de feestende massa.

Martin, een kalende man van begin vijftig, staat er bekend om dat hij een hekel heeft aan officiële gelegenheden. Hij zit veel liever met een biertje aan de bar.

Hij heeft zich voor deze gelegenheid eens niet in zijn eeuwige spijkerbroek met t-shirt gestoken, maar in een keurig maatpak en hij draagt zelfs, geheel tegen zijn gewoonte in, een stropdas. Hij kan er maar niet aan wennen, maar doet zijn uiterste best om niet te veel aan die strak zittende stropdas te plukken. Het kost hem duidelijk moeite. Hij kijkt eens om zich heen, overal zijn mensen in nette pakken te zien. Duidelijk niet zijn soort publiek. Hopelijk komen ze een beetje los als het feestje op gang komt. Maar eerst maar eens die speech afwachten. Hij hoopt maar dat de speech niet teveel tijd in beslag zou nemen.

Een keurige man, in donkerblauw maatpak met bijpassende stropdas komt zijn richting op. Zou dat nu de eigenaar zijn? Martin blijft de man met zijn blik volgen terwijl deze zich een weg baant door de oneindige zee aan maatpakken. Eigenlijk kan het iedereen zijn. Hij verlegt zijn blik eens naar de versiering van de tent. Aan het plafond en de muren van de strandtent sieren gekleurde lampionnen. Het enige feestelijke aan deze tent, denkt Martin. Zal ik er toch maar stiekem tussenuit knijpen? Ineens draaien de maatpakken zich om. Nu kijken ze allemaal in Martins richting. Martin voelt zich steeds ongemakkelijker worden. De muziek wordt gedempt en een man met microfoon richt zich tot de aanwezigen. Wat een opluchting, denkt Martin. De speech staat op het punt te beginnen. Nu draait ook Martin zich om. Hij had even het idee dat ze wisten dat hij hier niet thuishoorde.

Op het houten podium staat een man, uiteraard in een blauw maatpak. Even denkt Martin dat het de man is die hij net al in de gaten hield. Dan valt zijn oog op de stropdas. Gestreept. In gedachten schudt Martin zijn hoofd. Nee, die man had een geblokte stropdas. De keurige man, blijkbaar de bedrijfsleider, begint zijn speech.

“Geachte aanwezigen, we zijn hier vandaag bijeen gekomen om het twintigjarig bestaan te vieren van ons bedrijf. Het begon allemaal eind jaren tachtig met een droom. Nu is deze droom uitgegroeid tot een enorm concern...”

Martin’s gedachten dwalen af. Wat zou hij er niet voor geven om gewoon in spijkerbroek een pilsje te drinken in zijn favoriete bar. Maar nee hoor, hij had met zijn stomme kop beloofd mee te gaan met zijn buurvrouw Hetty. Het was waar, ze had nog iets te goed van hem nadat ze een hele week op zijn huis had gepast toen hij met zijn broer Rogier naar de Bahama’s was geweest. Maar hij had vurig gehoopt dat het er bij in zou schieten. Dat bleek dus ijdele hoop...

...”En daarom nemen we er eentje op nog eens twintig jaar!” Applaus stijgt op in de strandtent. Martin schrikt op uit zijn gedachten. Blijkbaar is de speech afgelopen. “Gelukkig maar”, mompelt Martin in zichzelf.

Na de speech wordt de sfeer iets gemoedelijker. De drank vloeit rijkelijk en daardoor kwamen de stijve pakken wat los. Nu vindt Martin het ook wel gezellig worden. De plechtigheden worden snel achterwege gelaten en er wordt warempel gedanst. Nu is Martin in zijn element. Het eerste wat hij doet, is die verschrikkelijk knellende stropdas wat losser. Zo, dat scheelt. Hmm, zal ik nog een drankje nemen, denkt Martin. Er is dan wel geen bier, maar een whisky smaakt ook wel. Ach, waarom niet. Hij woont toch vlakbij. Geen vervoer nodig om terug naar huis te komen, hij kan gewoon wandelen. Martin waagt ook een dansje met zijn glas in zijn linkerhand. Hij merkt niet dat er één man alles scherp in de gaten houdt. Het is de man, die Martin eerder al had opgemerkt, toen hij nog nuchter was. De man staat aan de bar en nipt af en toe van zijn cognac.

Martin heeft het niet in de gaten. Hij neemt nog maar een glas whisky. En na dat glas, volgen nog een paar glazen. Martin denkt dat hij het wel aan kan. Hij drinkt wel eens vaker wat en kan aardig tegen drank. Hij krijgt het steeds warmer en nu gaat ook zijn jasje uit. Hij gooit met een flinke zwaai het jasje over een lege stoel. Tenminste, hij denkt dat het een lege stoel is. Maar niets is minder waar. Op de stoel zit een vrouw in mantelpakje. Ze krijgt de jas over zich heen en is daar duidelijk niet van gediend. Ze begint te schreeuwen tegen Martin. “Wie denk je wel dat je bent? Uilskuiken!”, roept de vrouw kwaad. Ze grijpt het jasje vast, maakt er een prop van en keilt het zo op de vloer. Martin mompelt: “O sorry, hoor. Maak je niet zo druk.” En raapt het jasje van de grond om het vervolgens met de mouwen om zijn heupen te knopen. Hij ziet er allang niet meer uit als de keurige man in maatpak, die hij pretendeerde te zijn. De vrouw in mantelpak kijkt hem afkeurend na.

De drank begint Martin nu naar het hoofd te stijgen. Hij staat niet al te stevig meer op zijn benen en begint dingen dubbel te zien. Wat wil je ook, na zeven glazen whisky. Maar het feestje lijkt nu wel veel gezelliger. Dus het heeft ook zo zijn voordelen. Iemand botst tegen hem aan. Of botst Martin tegen haar aan? Het is niet geheel duidelijk. Het blijkt zijn buurvrouw te zijn. “Gggeluuukkiiigg, tog noggg eennn bekennnd gesssicht”, spreekt Martin met dubbele tong. Zijn buurvrouw, Hetty, gehuld in een keurig donkerblauw mantelpakje kijkt hem verwonderd aan. Haar donkere haren zitten keurig gekapt en ze heeft weinig make-up op. “Je bent behoorlijk dronken”, zegt ze. Martin antwoordt: “Dddat vvaltt wwwel mmmeee”, maar heeft beide handen stevig om een pilaar geklemd. Hij wil nog een drankje bestellen, als Hetty hem resoluut tegenhoudt. Ze grijpt hem ferm bij de arm en dirigeert hem richting uitgang. “Je hebt genoeg gehad, jij gaat NU naar huis. Zo heb ik toch niks aan je. Je kunt nauwelijks meer op je benen staan, man.” Martin stribbelt behoorlijk tegen, maar Hetty weet van geen wijken. Het lukt haar om haar beschonken buurman de strandtent uit te bonjouren. De andere gasten hebben er geen oog voor. Ze zijn te druk bezig met zichzelf.

Martin staat nu buiten. Hij waggelt een stukje richting zee. Het donkerblauwe, heldere water is zo glad als een spiegel en er staat geen zuchtje wind. Het is nog behoorlijk warm buiten, vindt ook Martin. Dan begint hij aan zijn wandeling op weg naar huis. Hij besluit een stukje af te snijden door langs de duinen te lopen. Nou ja, lopen kun je het niet echt noemen. Martin zwalkt van de ene naar de andere kant van het zandpad. Zijn jasje zakt steeds verder van zijn heupen af, waardoor de mouwen van zijn ‘keurige’ jasje door het zand slepen.

De heldere sterrenhemel verlicht een eenzame donkerblauwe auto, die geparkeerd staat in de duinen. De lichten branden nog. Een van de portieren staat half open. Martin nadert de auto en blijft ineens verbaasd staan. Hé, waarom staat hier een auto, denkt hij. Hij schenkt er voor de rest niet al te veel aandacht aan. Tot zijn oog valt op een bijzonder kenmerk. Behalve de brandende lichten is er nog iets aparts aan de auto. De auto heeft maar een buitenspiegel. Op de plaats waar normaal gesproken de tweede spiegel zou zitten, zit nu een gat. Martin loopt vertwijfeld verder. Af en toe kijkt hij nog even om naar de verlaten auto.

Hij komt bij een lange trap die vanaf de duinen naar de bewoonde wereld leidt. Na een vermoeiende klim bereikt Martin eindelijk zijn huis. Hij heeft niet al te veel beheersing meer over zijn spieren. Het duurt dan ook even voordat hij de sleutel in het sleutelgat weet te krijgen. Hij moet even op adem komen voor hij zijn voordeur in gaat. Eenmaal binnengekomen stort Martin zich languit op de bank, rolt zich op zijn zij en valt in diepe slaap. Zijn linkerarm bungelt langs de zijkant van de zitting en raakt nog net niet de grond.

De volgende dag wordt Martin ruw gewekt door het schelle geluid van de deurbel. Eerst denkt hij dat het wel op zal houden en drukt zijn vingers diep in zijn oren. Maar de toon houdt niet op. Martin geeft het slapen op en probeert in een keer rechtop te zitten. Dat gaat toch niet zo makkelijk. “Ooo, wat duizelt mijn hoofd”, mompelt hij. De beller lijkt het niet op te willen geven. “Ja, ja. Ik kom al, ik kom al. Rustig aan.” Hij gaat nu een stuk voorzichtiger overeind. Zijn hoofd bonst als een dolle. Het daglicht is veel te scherp voor zijn ogen. Martin knijpt zijn ogen tot kleine spleetjes en zoekt houvast aan de leuning van de bank. Langzaam maar zeker lukt het hem om op te staan. Hij staat wat onvast en schuifelt voetje voor voetje richting voordeur. De ‘beller’ wil het net opgeven als Martin eindelijk zijn voordeur opent. Het is Hetty. Ze had zich net omgedraaid en wilde weglopen. Martin stapt naar buiten en leunt meteen met zijn volle gewicht tegen de buitenmuur. Man, wat is dat buitenlicht fel. Hij zegt zachtjes: “Wat is er nou zo dringend.” Hierop keert Hetty zich om. “Jij ziet er nog slechter uit dan gisteren”, zegt ze. Ze kan bijna haar lachen niet inhouden. Martin ziet er inderdaad behoorlijk verfomfaaid uit. Zijn nette maatpak zit vol kreukels, zijn haar zit aan een kant plat en zijn stropdas hangt als een lange ketting om zijn nek. Haar buurman kan er niet om lachen. Hij voelt zich belabberd. Zijn mond is kurkdroog en zijn tong voelt als een lap leer. “Wat wil je, ik heb dorst”, zegt Martin geïrriteerd. “Dat verbaast me niks”, antwoordt Hetty lachend. “Na al die alcohol die jij gisteren naar binnen hebt gewerkt, verrast het me dat je überhaupt op kon staan.” Martin maakt aanstalten om zijn huis weer te betreden. “Ik kwam alleen even kijken hoe het met je ging. Maar ik zie het al”, zegt Hetty proestend. Martin gooit de deur voor haar neus dicht en loopt naar de keuken. Hetty haalt haar schouders op, schudt haar hoofd en begeeft zich al grijnzend richting haar huis.

Martin laat de kraan flink lopen. “Wat maakt alles vandaag een herrie”, fluistert hij. Hij doet zich te goed aan een groot glas vol water. Dat smaakt naar meer. Hij vult nogmaals zijn glas. Hij kan weer iets helderder nadenken. Wat zei Hetty nou? Had hij zo veel gedronken gisteren? Met een halfvol glas water loopt hij door de gang op weg naar de huiskamer. Hij vangt een glimp van zichzelf op in de spiegel, die in de gang hangt. En dan moet hij toch toegeven dat hij er wel eens beter heeft uitgezien. Onder de spiegel staat een donkerkleurig, houten schoenenkastje. Hij zet zijn glas op het kastje en beklimt de trap naar boven, op weg naar de badkamer. Daar aangekomen, kleedt hij zich uit en springt hij onder een koude douche. “Dat zal me wel opfrissen”, zegt hij tegen zichzelf. Na een tijdje zet hij de douche uit. Gelukkig hangt er al een handdoek op het haakje, want daaraan had Martin nog niet gedacht. Hij droogt zich af en opent de deur van de badkamer. Daar ligt zijn dure maatpak. Op de grond als een stuk vodden. Hij stapt over het maatpak en loopt in zijn blootje over de overloop. Als hij zijn slaapkamer binnenloopt, pakt hij gelijk zijn favoriete spijkerbroek en t-shirt van zijn bed en trekt het aan. De kleding lag er nog van gisteravond, toen hij dat apenpakkie aan moest doen. Zo, dat voelt al een stuk beter.

In een luxe uitgevoerd kantoortje staan twee comfortabele leren fauteuils, naast een hardhouten bureau waar stapels papier op liggen. Op een van de stoelen zit een jonge man in donkerblauw pak. Een schilderij van de eigenaar prijkt aan een van de muren. De man is druk in gesprek met een andere man die eveneens een onberispelijk pak draagt, maar dan in het zwart. Ineens wordt er zachtjes geklopt. Eerst hebben de twee het niet in de gaten. Dan volgt er een wat harder geluid tegen de deur. Nu kijkt Sven, de jonge man, op. “Ik heb toch gezegd dat ik niet gestoord wilde worden”, zegt hij geïrriteerd. “Dus dan zorg jij dat je de ‘snow’ hebt en ik voor het geld”, zegt de man in het zwart pak. “Precies”, antwoordt Sven, “dus eigenlijk gewoon zoals we het altijd aanpakken. Zullen we weer afspreken op de zelfde plaats?” “Dat lijkt me een goed plan, daar hebben we tenminste niet zo’n last van pottenkijkers”, vervolgt de man, duidelijk een vaste klant van Sven. De deur gaat een stukje open en in de deuropening verschijnt Gijs. Hij zet voorzichtig een stap de kamer in. Als er geen reactie komt, zegt Gijs: “Het is echt heel dringend.” “Wat is er dan zo dringend, roept Sven. “Dat wil ik even met jou alleen bespreken”, is het antwoord. Nu wordt de man in het zwarte pak ongeduldig: “Ja, als het zo moet... dan ga ik wel voor de coke naar iemand anders.” Sven probeert de man te sussen: “Let maar niet op Gijs. Hij is dan wel mijn broertje, maarre”, en schudt vervolgens zijn hoofd. Dan tegen Gijs: “Wacht jij nou maar even op de gang, ik ben bijna klaar. Zo dringend zal het ook weer niet zijn.” Gijs geeft zijn pogingen op en trekt zich stilletjes terug op de gang. Waar hij begint te ijsberen.

Na een tijdje opent de deur en komt de man in het zwarte pak naar buiten. “Nou, ik heb de boel nog kunnen redden”, zegt Sven tegen Gijs. “Ik ben toch wel heel benieuwd wat je me wilde zeggen.” Gijs zoekt koortsachtig naar de juiste woorden. “Je weet dat ik gisteren een klusje had?”, begint hij voorzichtig. “Ja, wat is daar dan mee? Je hoefde alleen maar te zorgen dat de vluchtauto verdween? Vertel me niet dat dat niet is gelukt.” “Nou eigenlijk…, zegt Gijs weifelend. “Nee, he? Wat is er misgegaan”, verzucht Sven. Gijs begint schoorvoetend uit te leggen dat alles goed ging totdat hij in het donker een tegenligger over het hoofd zag en in paniek raakte. “Ik bedoel, ik gooide in een keer het stuur om en de auto raakte iets. Wat weet ik niet precies, het was ook zo donker. Toen heb ik de auto in de duinen neergezet en ben hem gesmeerd. Stel je voor dat iemand me gesnapt had...” “En waar is de auto nu”, vraagt Sven, die steeds bozer begint te worden. “Je hebt hem toch wel weggehaald hè, toen het licht begon te worden.” Gijs schudt verlegen van nee. Nu springt Sven uit zijn vel. “Wat? Ik kan ook niks aan je overlaten, geef die sleutels maar dan los ik het zélf wel weer allemaal op.” Hij houdt ongedurig zijn hand op voor het gezicht van Gijs. “Nou, komt er nog wat van? Ik heb niet de hele dag de tijd”, snauwt Sven. Gijs geeft hem aarzelend de sleutels. Hierop stormt Sven het kantoortje uit. Hij laat een verbouwereerde Gijs achter.

Martin heeft nog altijd last van zijn kater. Hij besluit een stukje buiten te gaan lopen, dat zal hem goed doen. Misschien dat dan eindelijk zijn hoofd stopt met bonzen. Hij had al alle bekende middeltjes gebruikt, maar helaas zonder resultaat. Zowel de koude douche, als de zwarte koffie (en hij dronk nooit zwarte koffie, altijd met een wolkje melk, dus dat was al een behoorlijke straf). Maar denk je dat het hielp, niks hoor. Hij voelde zich nog net zo beroerd als daarvoor. Hij zet een paar stappen buiten de deur. Er staat een zacht briesje en het is aangenaam warm buiten. Hij haalt een paar keer diep adem, om de frisse lucht goed in zich op te nemen en begint dan aan zijn wandeling. Ongemerkt komt hij langs de duinen waar zich gisteren de eenzame auto bevond. De auto is echter in geen velden of wegen te bekennen. Martin kan zich nog vaag herinneren dat hij hier afgelopen nacht een donkerblauwe sedan had gezien. Hij loopt een stukje de duinen in. De duinen liggen er vanochtend maar verlaten bij. Op een onduidelijk bandenspoor na zou je niet denken dat er hier ooit een automobiel heeft gestaan. Martin krabt eens op zijn hoofd. Zou hij het zich dan allemaal hebben ingebeeld?

Op dat moment gaat zijn mobieltje af. Hij herkent het nummer vrijwel meteen. Het is zijn broer, Rogier. Hij wil weten hoe het gisteren was op ‘het feestje’. Rogier kent Martin niet anders dan in zijn spijkerbroek met t-shirt dus dit was een bijzondere gebeurtenis. En daar wil hij alles van weten. Martin begint te vertellen dat het wel gezellig was, nou ja, na die oersaaie speech dan. Hij kan zich er het fijne niet van herinneren, maar Hetty heeft hem gezegd dat hij behoorlijk veel gedronken had en in zijn eentje een polonaise was begonnen. “Dat van dat drinken kan wel kloppen”, zegt Martin als hij voor de zoveelste keer naar zijn bonkende hoofd grijpt. Rogier moet lachen. “Ik zei toch dat het niks voor jou was.” Rogier begint een heel verhaal, maar Martin luistert maar half. Hij heeft te veel aandacht voor de plaats in de duinen. Af en toe geeft hij afwezig antwoord. Halverwege het verhaal van Rogier breekt Martin in. “Ik zou zweren dat er hier gisteren een auto heeft gestaan”, mompelt hij iets te hard. “Wat zeg je”, zegt Rogier. “Ik hoorde iets over een auto...” “Hè, wat, o ja, gisteren toen Hetty me naar huis stuurde, heb ik de kortste weg naar huis genomen. Je weet wel, door de duinen?” “Ja.” Nou, toen kwam ik langs een geparkeerde auto, althans ik ben er vrij zeker van dat dat geen fata morgana was. “Waarschijnlijk kwam het gewoon door de drank.” “Tja, dat zou kunnen”, zegt Martin nadenkend. Hij had inderdaad wel behoorlijk gedronken. “Ik spreek je”, zegt Rogier en hangt op.

Hij loopt terug naar het zandpad dat naar zijn huis leidt, als hij ineens iets vanuit zijn ooghoek ziet. Het is onmiskenbaar een afgebroken zijspiegel. Hij herinnert zich ineens dat er iets vreemd was aan de auto. Hij had maar een buitenspiegel. Het was dus toch geen bijwerking van de drank. Dit moet Rogier weten. Maar eerst moet die kater verminderen. Met hernieuwde energie loopt Martin verder het strand op, langs de branding. Hij vindt een mooi beschut plekje en gaat languit op het strand liggen. Hij brengt daar een aantal middaguurtjes door en keert dan huiswaarts. Zijn kater begint nu zienderogen af te nemen. Hij kan weer helderder nadenken. Een hele verbetering. Martin neemt zich voor nooit meer zoveel drank tot zich te nemen. Hij haat het als hij geen controle meer heeft over zijn daden. Hetty zal wel gedacht hebben... Ach, het heeft ook voordelen. Ze zal hem nooit meer voor zoiets vragen, denkt hij vrolijk. Maar nu eerst maar eens Rogier bellen.

Gijs zit nerveus te wachten op de terugkomst van zijn broer. Hij speelt wat met een pen, hij draait hem een aantal keren tussen zijn vingers. Als hij toch eens zoals zijn broer kon zijn. Waarom was hij niet het brein achter de operatie. Hij moest en zou zich bewijzen tegenover Sven. Goed, het klusje met de vluchtauto was dan wel misgegaan. Maar er moest toch een manier zijn om te laten zien dat hij het best in zich had... Dan gaat de voordeur openen. Sven komt binnen en loopt linea recta naar zijn kantoortje achterin zijn penthouse. Gijs springt bijna een meter de lucht in van schrik. Hij was zo diep in gedachten verzonken, dat hij Sven niet binnen heeft horen komen. “Ik heb het geregeld”, begint Sven vermanend. “Maar dit was dus je laatste klus!” “Ja, maar”, antwoordt Gijs. Hij begint zijn broer nog net niet op zijn knieën te smeken om hem nog een kans te geven. Eerst wil Sven er niks van weten, maar dan zwicht hij voor zijn broer. Het blijft toch familie. “Nou goed, dan. Als je maar goed begrijpt dat dit ECHT je laatste kans is. Als je die weer verprutst...” Gijs verzekert Sven dat dat niet zal gebeuren. Dan stuurt Sven hem weg.

Rogier is op visite bij Martin. Hij moet met zijn eigen ogen de plaats van de vermeende personenwagen zien. Dat van die buitenspiegel is inderdaad vreemd. Waarom zou daar een deel van een auto liggen? Martin loopt voorop naar de duinen en wijst Rogier de weg naar de sedan. En inderdaad, een beetje in de beschutting van een aantal groene planten, die langs het duinen groeien, ligt een zijspiegel. Rogier pakt een schone zakdoek uit zijn broekzak en pakt de spiegel voorzichtig op. Hij wil eventuele vingerafdrukken niet vervagen. Hij ziet ineens dat het tijd voor hem is om naar zijn werk te gaan. Hij moest nog wat papierwerk voor de sloopauto’s verzorgen vandaag. Rogier zegt zijn broer gedag en loopt naar zijn auto, die achter het huis geparkeerd staat en stapt in.

Rogier komt bij zijn werkplaats aan, parkeert zijn auto en loopt langs stapels autobanden en de compressorruimte waar de Bronneberg autopletter staat. Dan valt zijn oog op een stapel auto’s, die klaarstaat om geplet te worden. Een van de bovenste auto’s is een donkerblauwe sedan met maar één zijspiegel. Rogier knippert een paar keer met zijn ogen. Nee, dat kan bijna niet. Hij loopt voor de zekerheid toch even naar zijn auto en haalt het pakketje met de afgebroken zijspiegel uit zijn wagen. Teruggekomen bij de compressor, beklimt Rogier de stapel auto’s en probeert Rogier de spiegel te passen aan de zijkant van de donkerblauwe auto. Hij kan zijn ogen niet geloven. De spiegel sluit perfect aan op de wagen. Rogier klimt weer naar beneden en gebruikt de hijskraan om de auto van de stapel te tillen. Dit moet hij nader onderzoeken. De auto komt met een klap op de grond terecht, waardoor de kofferbak openspringt. Op de grijze bekleding ligt een klein zakje wit poeder. Rogier pakt het niet op, maar gaat er vanuit dat er geen bakpoeder of poedersuiker in zal zitten. Hij belt direct de politie. De agent die hem te woord staat, neemt hem gelukkig serieus en hij belooft diezelfde dag nog langs te komen. Als Rogier ophangt, ziet hij dat er een stukje papier als prop helemaal achterin de kofferbak ligt. Hij vouwt het voorzichtig open en ziet dat het een kwitantie is voor een donkerblauw pak en geblokte stropdas. Het adres is... Dan valt zijn mond open. Het adres is het strandpaviljoen waar zijn broer die dag ervoor was. De eigenaar van de auto en de eigenaar van het paviljoen zijn dus een en dezelfde persoon. Hij legt het papiertje weer in de kofferbak en besluit verder de auto met rust te laten tot de agent er is. Hij moet er niet aan denken wat hij allemaal nog meer zou vinden. Rogier huivert bij de gedachte.

Martin zit op de bank een boek te lezen als de telefoon gaat. Hij legt het boek neer en neemt op. Zijn broer Rogier vertelt hem wat hij net heeft meegemaakt. Martin is er nu helemaal van overtuigd dat hij het goed gezien heeft die afgelopen nacht. Hij besluit naar het strandpaviljoen te gaan om eens te zien of hij wat meer te weten kan komen. Zoiets spannends maak je niet zo gauw mee. Hij beslist om Rogier hier niets van te melden. Die zou zich toch alleen maar zorgen lopen maken.

Martin loopt, toch enigszins gespannen, maar met een gezonde dosis adrenaline naar het strandpaviljoen. Het bordje gesloten hangt bij de voordeur. Martin kijkt voorzichtig naar binnen en ziet een klein lampje branden achter in het etablissement. Dan hoort hij stemmen. “Hier heb jij je geld. Waar is het spul?” Een andere stem antwoordt: “Wacht maar even, ik ga het halen. Martin staat stokstijf als hij begrijpt waar de mannen het over hebben. Was hij maar niet zo nieuwsgierig geweest, dan zat hij nu lekker zijn spannende boek te lezen…

Hij hoort naderende voetstappen en wil zich verstoppen, maar hij is al te laat. Hij voelt dat hij door iemand in zijn nek wordt gegrepen. “Zo, wat denken we aan het doen te zijn”, zegt een stem achter hem. Martin durft geen antwoord te geven. Hij voelt een pistool in zijn rug prikken. Gijs heeft Martin goed in de tang. Hij leidt hem naar het kantoortje achterin de strandtent. “Ga jij maar eens even zitten. Dan zien we zo wel wat we met je gaan doen.” Gijs verlaat het kantoortje en gaat gewapend voor de deur staan. Hij laat Martin moederziel alleen achter in het muffe kantoor. Martin hoort dat zijn bewaker met iemand in gesprek is. “Ik heb een pottenkijker betrapt.” “Wie weet wat hij allemaal gehoord heeft, goed werk zegt een mannenstem. Dan gaat de deur open en stapt Sven het kantoor in. Martin herkent hem onmiddellijk. Het is de man van het bedrijfsfeest die hem al eerder was opgevallen. “Zo mannetje, wat heb jij ons allemaal te vertellen. Wat heb jij precies gehoord.” Sven knijpt zijn ogen tot kleine spleetjes. Martin krimpt ineen. Hij zegt met een iel stemmetje: “Ik heb niks gehoord, laat me gaan ik vertel niemand iets. Echt niet.” “O, en dat moet ik geloven. Als ik al zo stom was om je te laten gaan, zou je meteen naar de flikken rennen. Jij blijft mooi hier.” Hij roept naar de deur: “Kom eens even hier.” Gijs komt gedwee binnen. “Zorg ervoor dat dit heerschap even lekker gaat slapen.” Martin snapt het niet helemaal, maar voelt dan een stevige tik met een revolver op zijn hoofd. Het wordt zwart om hem heen en hij valt van de stoel op de grond.

Als hij bijkomt, ziet hij de bezorgde ogen van Rogier. Hij knielt bij Martin neer en vraagt of alles goed gaat. Martin heeft een behoorlijke buil op zijn hoofd. Rogier had geprobeerd om Martin te bereiken na het gesprek wat hij had gehad met de politie, maar kreeg steeds geen gehoor. Hij wist dat Martin nogal een waaghals kon zijn en vreesde dat zijn broer naar de paviljoen was gegaan. En hij had gelijk gekregen. Als Martin voorzichtig opkijkt, voelt hij zijn hoofd nog erger tekeergaan, dan van die kater van vanochtend. Hij ziet drie mannen, die geboeid worden afgevoerd door een agent. Rogier ondersteunt Martin als hij rechtop gaat staan. Martin kan bijna niet op zijn benen staan, maar het lukt Rogier om Martin in zijn auto te krijgen. In de auto vertelt Rogier wat er allemaal gebeurd is. Op het gezicht van Martin ontstaat een verwrongen grijns. “Ik heb nu nog ergere hoofdpijn dan vanochtend”, verzucht hij.

 

Dit verhaal heb ik ooit ingestuurd voor een verhalenwedstrijd. Helaas niet gewonnen, maar ik vond het leuk om dit met jullie te delen :)