De vader van mijn vader


Mijn grootvader was een stille man. Veel gelegenheid tot spreken kreeg hij ook niet. Zijn vrouw voerde altijd het hoogste woord. Regelmatig gaf ze hem om zijn zwijgzaamheid een veeg uit de pan. "Moet je hém nou zien zitten. Níets gaat er van hem uit. Hij zegt niks. Wat een dooie." Dan knikte hij maar wat.

Zonder mijn oma kwam hij beter tot zijn recht. Hij kon heel rake opmerkingen maken. Wat vertelde hij boeiend over de geschiedenis van de stad. Zijn geduld was eindeloos. En al praatte hij niet over gevoelens, de arm om mijn schouders sprak boekdelen.

Toen oma steeds vergeetachteriger werd bleek hij ontzettend zorgzaam. Niets was hem teveel. Hulp van buitenaf werd geweigerd. Hij hoefde niet ontlast te worden. Hij knapte het wel op. En dat deed hij goed.

Na haar plotselinge dood rouwde hij twee jaar. Daarna krabbelde hij op. Eind jaren negentig had hij als een van de eersten in de familie internet. Dan kreeg ik een mailtje van hem zonder interpunctie en hoofdletters, of juist getikt met capslock aan. Ging ik onverwachts bij hem langs, dan nam hij me vaak mee uit eten. Hij wilde alles weten van mijn studie. Hij werd steeds spraakzamer. Hij bloeide op.

Toen hij stierf was hij 94. Hij zei dat we om hem niet moesten rouwen. Hij had een prachtig leven gehad en hij ging nu naar oma. Waar hij hoorde.

Ik denk nog heel vaak aan opa. Ik erfde een klein kastje. Als ik de deur open, ruikt het zoals bij hem thuis. Daar word ik heel gelukkig van.

In de aanloop naar vaderdag schrijf ik elke dag een stukje over vaders in mijn omgeving.