Een spreekwoordelijk dagje (taaljaaruitdaging 2) | casapapusilor

Een spreekwoordelijk dagje (taaljaaruitdaging 2)

De morgenstond had goud in de mond (en gisteren vielen de mussen nog dood van het dak). Maar halverwege de ochtend keerde het weer om als een blad aan de boom. Nu schijnt alleen achter de wolken nog de zon. Hondenweer. Het regent pijpestelen en je waait uit je hemd. Er is geen kruid tegen gewassen, je verzuipt als je je neus buiten de deur steekt. Bovendien is het zo koud dat je oren van je hoofd vriezen. Echt, daar lusten de honden brood van.

Ik was vanmorgen al met het verkeerde been uit bed gestapt. Alles zat tegen. Het bakkie troost was niet te zuipen en mijn boterham viel als altijd met de beboterde kant naar beneden. De hond had een grote boodschap voor mij achter gelaten. Een zwijnestal. Ik had niets om aan te trekken en de wasmachien had er ook de brui aan gegeven. In mijn Eva-kostuum ging ik op zoek. Het geluk was met mij. Het laatste hemd (dit keer met zakken), en even later had ik ook de broek aan. Mijn melkboerenhondenhaar wilde voor geen meter. Eenmaal buiten was het " zo de wind waait waait mijn jasje" en was ik binnen de kortste keren verzopen en koud tot op het bot. Ik moest trappen als een malle om niet mijn trein het nakijken te geven. Hier en daar zat het verkeer muurvast. Het leek wel een Gordiaanse knoop. Ik baalde als een stekker.

Op kantoor was de beer los. Een dossier had pootjes gekregen en leek van de aardbodem weggevaagd. Dat werd zoeken in alle hoeken en gaten, van het kastje naar de muur en terug. Alles werd op zijn kop gezet, maar voor Piet Snot. In lucht opgelost. Het opperhoofd was in alle staten, schelden als een viswijf, vloeken als een bootwerker en zelf geen poot uitsteken. Ik kan die man niet luchten of zien. Met zijn paar pondjes teveel zit hij de hele dag op zijn luie reet. Het is hollen of stilstaan. Als hij zijn grote smoel tegen je open doet moet je stokstijf blijven staan, daarna moet je direct in de startblokken en je uit de naad rennen. Een echte slavendrijver.

Het dossier bleef spoorloos en de spanning om te snijden. Iedereen zat slecht in zijn vel en op alle slakjes werd zout gelegd. De dader ligt natuurlijk op het kerkhof. Iedereen houdt zich van de domme. Misschien ligt het wel bij het oudvuil of heeft iemand de kachel er mee aangemaakt. We kijken nu met andere ogen naar elkaar. Wie, oh, wie? Men vangt elkaar op een woord of vangt de ander vliegen af. Iedereen wijst met het vingertje. "Heb jij lopen slapen?" Of is er drank in het spel? Speelt iemand een spelletje of is iedereen goudeerlijk. Zo de waard is vertrouwt men zijn gasten en er is flink onrust gezaaid. Deze zaak krijgt vast nog een staartje.

Eenmaal thuis had de dag nog meer voor mij in petto. Toen de heer des huizes thuis kwam bleek het huis te klein. Een gezicht als een oorwurm en een humeur om op te schieten. Mijn betere helft had honger, maar vond de hond in de pot. Ik stelde voor buiten de deur te gaan eten maar dat had mijn wederhelft geen oren naar. Ik was dus de pineut en moest maar roeien met de riemen die ik had om iets op tafel te toveren. Hij ging vast een partijtje bankhangen voor de kijkkast. Daar was natuurlijk niets op, althans niets van zijn gading. Dus droop hij af naar het café om zijn verdriet te verdrinken. Natuurlijk liet hij alles op de lat schrijven, zodat ik later de rekening wel gepresenteerd krijg. Hij koopt alles op de pof en laat mij er voor opdraaien. Hij zwemt in het geld maar is zo gierig als Dagobert Duck. Aan alles hangt een prijskaartje, maar hij zit het liefst voor een dubbeltje op de eerste rang. Zwalkend als een stuurloos schip kwam hij thuis, in de kleine uurtjes, vlak voor het kraaien van de haan.

En ik? Ik ging vroeg onder de wol want morgen is er weer een dag.




Share
Share and earn €0.001 every time someone reads this post.