Het kapseldrama


Al dagenlang werden er op de radio en televisie waarschuwingen uitgegeven over het slechte weer. Ook zonder die berichten was het duidelijk. Het land werd geteisterd door zeer harde wind en zware regenval. Het water in vaarten en rivieren steeg zienderogen. Wilma zat op de bank en ze had helemaal geen aandacht voor mijn verhaal, ze werd in beslag genomen door de alarmerende waarschuwingssignalen, als een echte weerjunkie zette ze zich schrap voor code rood. Het zat nog niet eens tegen oranje aan.

'Wilma, de codekleur is hier slechts geel hoor.'

'Hou je mond en luister, er is alweer een vallei volgelopen, nog even en het water stijgt ons niet alleen tot de lippen maar tot ver boven onze hoofden. We moeten een plan maken om te overleven. Voor het te laat is.'

Er was niets meer tegen te beginnen, de stortbuien waren in haar bol geslagen. Ze leek geheel en al van de wereld te zijn. Ze dacht al over bergen en tussenliggende dalen die volgestroomd waren en daardoor zichzelf getransformeerd hadden tot diepe meren met gevaarlijke draaikolken. Dit terwijl ze toch gewoon op het platteland woonde. In een boerderijtje met rondom landerijen, uitgestrekte weidse velden, die hooguit door de aanhoudende neerslag ietwat drassig waren geworden.

Door het rieten dak sijpelde het regenwater druppelsgewijs in de diverse pannetjes. Het geheel vormde een vrolijk melodietje, tenminste als je er oor voor had. Lang leve het lekkende riet, zo lek als een mandje, als een vergiet. Ja, ja, het dak kon wel een opknapbeurt gebruiken, echt waterdicht was het niet meer te noemen. Maar ik had belangrijkere zaken aan mijn hoofd. Meer  omvangrijk dan welke weertype dan ook. Zelfs code pimpelpaars met een rood randje kon daar niet tegenop.

Wilma stond van de bank op en begon heen en weer te lopen tussen de pannetjes en een enorme teil om driftig de pannetjes om de beurt te legen. Toen de teil dreigde zelf te overstromen hevelde ze het water over door middel van emmertjes in de badkuip. Het zat tegen water naar de zee dragen en ik begon steeds meer mijn geduld te verliezen.

'Wilma, focus eens op de werkelijkheid, alsjeblieft. Mijn haar is afhankelijk van jouw vaardige handen, je kan zomaar niet je ziek melden bij de kapsalon, omdat het weer even tegen zit.'

Ik moest tot haar doordringen, dat moest gewoon, was van cruciaal belang. Mijn collega-schrijvers konden niet langer wachten. Mijn foto was de enige die nog ontbrak op de achterkant van het boek. Ik moest er toch niet bij stilstaan dat ik te laat zou zijn? En voordat ik me liet vastleggen op de plaat moest mijn kapsel in orde worden gemaakt. Niemand vertrouwde ik dat meer toe dan Wilma. Ik had geprobeerd of ze me bij haar thuis onder handen wou nemen, maar haar nee, beslist niet, boorde die hoop gelijk de grond in, dus moest ik haar over zien te halen om met me mee te gaan naar de dichtstbijzijnde kapperszaak.

En toen gebeurde het. De regen stopte. Een bleke zon brak door. De zondvloed was voorbij en samen gingen we naar buiten om dit wonder te aanschouwen. Ons gejuich moest door het hele dal te horen zijn. Het hele dal? Ik was in totale shock. Waar waren we? Bovenaan een begroeide bergklif, niets, noppes, nada aan platteland. Nergens uitgestrekte weidegronden te bekennen. Hoe ver ik ook keek, zelfs geen spoor van een kapsalon. We waren gewoon weggedreven met boerderij en al naar een berggebied.

Zuchtend liet ik terneergeslagen mijn schouders hangen, dan maar met ongekapte haren op de foto, er zat niets anders op. 

signup

Word lid en beloon de maker en jezelf!