Hondsberoerde miraculeuze waarnemingen


Misselijk strompel ik naar de vijver. Daar gekomen kunnen mijn benen me niet langer dragen en zak ik op mijn knieën. Groen en geel wisselen elkaar af. Niet alleen voel ik me zo, ik zie het letterlijk voor mijn ogen. Het water is groen, waarschijnlijk gewoon kroos, maar het lijkt één grote gladde groene gelei. In de gelatine, vlak langs de rand, drijven een gele bal met zwarte stippen en een donkergroene fles. Mijn maag krimpt ineen, verwonderd zie ik hoe alles om me heen ook aan het krimpen is. De bal is nu van knikkerformaat. En de fles? Ook vreselijk gekrompen. Ik vis hem uit het water.

Het is maar een klein flesje. Heel voorzichtig draai ik het dopje eraf en hou mijn adem in. We gaan nu iets magistraals beleven. Zonder meer. Het moet wel een voorwerp zijn met duistere of magische krachten, ik weet vrijwel zeker dat er een wonder van formaat gaat plaatsvinden.

Nog altijd hondsberoerd werp ik een blik op mijn hypermoderne horloge. Geduldig wacht ik tot het mirakel zich voordoet. Na een eeuwigheid kijk ik weer op mijn pols. De adem stokt in mijn keel. Zweet breekt me uit. Mijn hart slaat op hol. Wauw. Dit overtreft de stoutste verwachtingen, de honderd verstreken jaren van zo-even hebben slechts anderhalve seconde geduurd.


In 217 woorden geschreven voor Hans zijn flesjesuitdaging en deze past tevens weer in de maanduitdaging van Schrijvelarij op facebook

schrijfuitdaging