De gedesillusioneerde beschaving


Dit ging er aan vooraf

Zowel de vlonder als het uithangbord waarop Zeester staat, komen me vaag bekend voor. In de flashback die ik krijg zie ik steeds weer een ober tevoorschijn komen. Zou die in dit strandpaviljoen werken? Of zou hij enkel en alleen in mijn dromen voorkomen, als onuitwisbare illusie? Vast wel. Ik bedenk me niet langer meer en duw uit alle macht tegen de deur, hij klemt als de zenuwen. Zweet dringt in minuscule druppeltjes uit mijn poriën, maar het lukt, hij is open.

Het is akelig stil hier. Het is net of het paviljoen gesloten is, maar ik sta toch binnen. Ik loop tussen de lege tafeltjes en de onbezette stoelen door. Niemand! Ik loer achter de bar, waag het niet om erachter te komen, hoewel mijn nieuwsgierigheid me wel indringend aanspoort. Zou de ober wellicht de man van mijn dromen zijn? Negeer het stemmetje van hunkeren, het kan gewoonweg niet waar zijn, het mag ook niet, het is eigenlijk belachelijk want er is al een man die in mijn leven die al de fantasieën overstijgt. Resoluut stap ik weer naar buiten.

Waar en hoever ik ook kijk, er is geen spoor van mensen of menselijke beschaving te zien. Ik ben helemaal alleen.

Alweer! Of nou ja, min of meer nog steeds. Plots klinkt er een stem achter me.

'Was jij het die net bij de Zeester naar binnenging?'

'Eh, ja.' Ik draai me om, daar staat hij, mijn flashback in levende lijve. 'Ik was hier vorig jaar ook, herinner je me nog? Jij bent de ober, toch?'

'Nee, maar ook ja, ik ben zijn tweelingbroer, en ook waarnemend barman.'

De zinsbegoocheling wordt me teveel, opeens verlang ik enorm naar thuis.