De eenzame pelikaan


Er was eens, aan een stil en verlaten strand bij de hoge duinen, een eenzame pelikaan, met de naam Tom.  Hij had een prachtig nestje gebouwd, op een goed beschut plekje. Op zijn nestje had Tom geen last van de felle wind, die vooral uit noordwestelijke richting zo gemeen koud kon zijn. De zee was niet ver weg, en steeds als hij honger kreeg kon hij een vers maaltje vis uit het water pikken. Als de zon scheen kon hij heerlijk in de zon genieten van het leven. Want, het leven was goed.

Toch was er wel iets wat het geluk verstoorde. Tom was helemaal alleen. Er waren geen broertjes en zusjes, geen vrienden of vriendinnen. En bovenal, geen vrouwtje waarmee hij vreugde zou kunnen brengen in de stille dagen.

Soms passeerde een scholekster, een koolmeesje of een spreeuw. Daar kon hij dan wel gezellige gesprekken mee houden. Het mooiste vond Tom de verhalen die ze vertelden over andere pelikanen, ver weg. En dan verlangde hij er toch wel naar om hen te ontmoeten. Maar hij was een beetje bang dat ze hem niet aardig zouden vinden en bleef daarom maar liever op zijn eigen nestje. De bezoekende vogels brachten wel gezelligheid, maar ze bleven helaas nooit lang.

Naarmate de dagen vorderden begon de eenzaamheid hem echter meer en meer te kwellen. En op zekere dag besloot Tom dan toch de wijde wereld in te gaan. Hij viste nog snel een maaltje bij elkaar uit de zee, en sloeg zijn vleugels uit, het geluk tegemoet.

Na een uurtje vliegen rustte Tom even uit op het dak van een strandtent. Naast hem nam een duif op het dak plaats.

‘Hallo, waar ga jij naar toe?’ vroeg de duif.

‘Ik ben op zoek naar pelikanen!’ antwoordde Tom, de eenzame pelikaan.

De duif keek hem even verschrikt aan. ‘De pelikanen?’ vroeg hij, ‘weet je het zeker?’

Ja, dat wist Tom zeker.

‘Nou,’ ging de duif door,  ‘een half uurtje verderop zijn een heleboel pelikanen, maar daar zien ze mij niet meer hoor! Wat een akelige beesten!’

De schrik sloeg Tom om het hart.

‘Akelige beesten?’ herhaalde hij bezorgd.

‘Ja, ze hebben me gewoon weggejaagd, en ik wilde alleen maar een stukje brood pakken!’

Tom vertelde dat hij zo eenzaam was, en dat hij daarom op zoek was naar andere pelikanen, naar vriendjes, naar een vrouwtje om vreugde te brengen in de stille dagen. De duif keek hem nog even aan. ‘Je moet het zelf weten’, zei hij bits en vloog weg in de richting van de duinen.

De eenzame pelikaan bleef nog even zitten. Wat nu? Terugvliegen? Of toch maar even gaan kijken? Hij was nu al zover gekomen. Gewoon een kijkje nemen, dat moest toch wel kunnen? Hij haalde zijn vleugels op en sloeg ze vervolgens uit. Met bezwaard gemoed vloog hij verder in de richting die de duif had aangewezen.

Al een kwartiertje later zag hij ver weg en hoog in de lucht de witte stippen gaan. Zijn hart klopte hem in zijn keel. Eindelijk zou hij andere pelikanen gaan ontmoeten! Toen hij dichterbij was gekomen werd hij luid begroet. ‘He, hallo!’, ‘Wie ben je’,  ‘Leuk je te zien!’ Dat viel allemaal nogal mee en opgelucht vertelde de eenzame pelikaan wie hij was en waar hij vandaan kwam.

Een paar pelikanen, die zaten uit te rusten op grote palen in de branding, hoorden zijn verhaal. ‘Maar jongen toch’, zeiden ze, ‘was je altijd helemaal alleen!’

En met een gastvrij gebaar nodigden ze hem uit om op de lege paal te komen zitten.