Het wonder


In een tijd en een wereld hier ver, ver vandaan lag, ingeklemd tussen hoge bergen, een bijzonder land. Bijzonder, omdat er in dit land geen kleuren bestonden. Je had alleen wit, zwart en daar tussenin vijftig tinten grijs.

In dit land woonde, in een klein huisje vlak bij het donkergrijze meertje, een klein mannetje, Petertje. Petertje leefde gelukkig en tevree in zijn kleine huisje. Achter het huisje lag een veldje, waar hij lichtgrijs graan verbouwde, middelgrijze prei en boontjes, en natuurlijk stond er ook een boom met spikkelgrijze appeltjes.

Het was voor vreemdelingen haast onmogelijk de hoge bergen te passeren en het was dan ook heel bijzonder toen op zekere dag een vreemde, lange man arriveerde. Geheimzinnig gekleed in een zwarte mantel, met een al even zwarte puntige hoed op zijn hoofd keek hij overal in het land in het rond. Omdat hij ook een lange, grijze baard had, waren de oogjes ongeveer het enige deel van de man dat je kon zien.

Mensen spraken hem aan, maar kregen weinig meer dan een grom, een knikje, of wat handgebaren. Het nieuwtje dat er een vreemdeling was gearriveerd ging als een lopend vuurtje door het land. Ook Petertje wist ervan, en heel verbaasd was hij dus niet toen hij op een mooie grijze dag ineens oog in oog stond met de vreemdeling.

‘Goedendag’, groette Petertje beleefd.

De vreemdeling nam hem nauwlettend op, alvorens de groet met grom en een knik te beantwoorden.

‘Heeft u honger of dorst? Kan ik u iets aanbieden’ vroeg Petertje beleefd en gastvrij.

Zoveel gastvrijheid had de vreemdeling nog niet meegemaakt, en hij knikte dankbaar.

Even later zaten ze samen in het grijze huisje van Petertje, te genieten van een kop donkergrijze koffie en donkergrijs brood met witte boter. Heerlijk!

De vreemdeling keek Petertje aan.

‘Je bent goed voor mij geweest’, sprak hij, ‘ik wil je graag rijkdommen geven, rijkdommen die ongekend zijn in jouw land.’

Petertje keek de vreemdeling ongelovig aan. ‘Rijkdommen?’ vroeg hij, ‘Ik heb het goed, ik ben gelukkig. Ik heb alle rijkdom die ik nodig heb.’

De vreemdeling glimlachte. ‘Juist daarom zal ik je overladen met rijkdom.’

Hij greep in zijn mantel en haalde een houten kistje tevoorschijn. ‘Maak het maar eens open!’

Aarzelend nam Petertje het kistje aan en tilde het dekseltje een beetje op. Van schrik liet hij het weer vallen. Vanuit dat kistje straalde licht, een helder en onbekend licht. Hij opende het kistje nog eens.

Inderdaad straalde er een bijzonder licht uit allerlei kleine potjes in het kistje. Licht in allerlei nieuwe en spannende tinten. Geen grijs, maar rood, blauw, geel en nog veel meer. Ook lag in het kistje een kwastje.

De vreemdeling lachte.

‘Dit kistje is voor jou. Het is een wonderkistje, met wonderpotjes, met wonderverf. Het helpt je om de wereld nog mooier te maken, om je wereld echte kleur te geven.’

En precies op dat moment was de vreemdeling ineens verdwenen. Alleen het kistje met de geheimzinnige potjes en het kwastje waren op tafel achtergebleven.

Even aarzelde Petertje, maar toen draaide hij één van de potjes open. Hij pakte het kwastje, doopte het harige puntje in het potje en begon.


(c) 2017 Hans van Gemert


Dit #verhaal is geschreven in de #fotowoorden uitdaging, feb. 2017, van Irene Schievink.

#wonder #kleurdoos #verfdoos #wereld