Naar de vrije verte


Langzaam ging de zon onder over het oude stadje, het grote paleis en de kathedraal werden door de verdwijnende zonnestralen het langst in een gouden gloed gezet. De eerste heldere sterren namen hun plaats aan het hemelgewelf in.

Het was een feestelijke dag met een feestelijke avond. In het paleis werd de achttiende verjaardag van de prinses uitbundig gevierd, bezoekers vanuit het hele land hadden hun opwachting gemaakt en er waren koningen en prinsen uit naburige landen gekomen. Er was voor de toegestroomde hoge gasten een fantastisch feestprogramma in elkaar gezet. De muziek en de drank stroomden vrolijk door de paleiszalen. Iedereen gelukkig, iedereen blij. Iedereen? Nee.

De prinses zelf leek er allemaal wat minder van te genieten. Bij elke nieuwe bezoeker sprong prinses Femina met een verwachtingsvolle blik overeind om daarna teleurgesteld terug te zinken in de prinsessentroon.

Een geheel in het zwart gestoken man boog zich voorzichtig naar haar toe. ‘Heeft uwe hoogheid het niet naar uw zin?’ De prinses schudde haar hoofd. ‘Ik zie hem niet, meester Ravelaer, zou hij niet komen?’

De aangesprokene schudde het hoofd. ‘Ik vrees dat hij door de wachtposten niet werd doorgelaten.’

‘Dat is toch niet eerlijk? Is het niet mijn keuze?’

‘Tja, hoogheid…’

‘Ik mis hem zo.’

Met bewaard gemoed zag Ravelaer hoe er een treurige blik over het gelaat van Femina kwam.

‘Hoe kan ik hier nu gelukkig zijn, meester Ravelaer? Mijn hele leven speelt zich al af in een gouden kooitje. En als papa een man voor me vindt, dan kom ik alleen maar in een nieuw kooitje. Ach, kon ik toch maar vrij en gelukkig zijn, mijn eigen leven leiden!’

Meester Ravelaer gaf geen antwoord en verdween achter de gordijnen die achter de troon waren gehangen. O, hij kende het gevoel van gevangenschap, het hunkeren naar licht en vrijheid. Het hopen dat ééns op een dag… Met snelle passen beende hij door de lange gangen van het paleis en klom de trappen op naar de toren. Dit was zijn domein. Niemand zou het wagen hem hier te storen, zelfs de koning niet. Hij wierp het raam open, klom op de vensterbank, sloeg zijn armen uit en vloog met een opmerkelijke gedaanteverwisseling met een sierlijke beweging naar beneden.

Tien minuten later was hij terug achter de troon. Uit niets was af te leiden waar hij was geweest, welke geheimzinnige macht hij had gebruikt. Of misschien toch, zijn zwarte haren waren wat verwaaid door de wind. Zachtjes fluisterde hij de prinses enkele woorden in het oor.

Een kwartier later rende de prinses, nu in een eenvoudig jurkje door de stille straten van het stadje. Hoe verder ze van het paleis af was, hoe armoediger de huisjes werden. Ze wist precies waar ze moest zijn, het stadje was niet vreemd voor haar. Zo vaak was ze, vermomd als eenvoudig meisje, hier al geweest. De regenpijp langs het oude huis was glad, maar de prinses was handig. Met snelle bewegingen klom ze hoger en hoger. Daar, midden op het dak, daar zat hij, Thomas.

‘Ik dacht dat je zou komen’, fluisterde ze, toen ze naast hem was gaan zitten.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Je vader ziet me aankomen. Of niet eigenlijk. Ik kreeg geen enkele kans bij die wachters van jullie.’

Hij boog zich wat verder naar haar toe. ‘Gefeliciteerd met je verjaardag.’ Zijn lippen beroerden die van haar.

Wat later keken ze samen uit over het stadje met het fel verlichte paleis. ‘Moet je niet terug?’ vroeg Thomas zacht.

‘Ik zou het liefst met jou hier willen blijven.’

Thomas knikte. ‘Ik zou niets liever willen. Maar ik vrees dat je vader er anders over denkt.’

‘Kunnen we niet weggaan? Ergens anders wonen? Ik wil geen prinses zijn, ik wil gewóón zijn. Met jou, samen. Altijd.’

Even was het stil, hun lippen smoorden alle geluiden. Toen veegden zij beiden een traan weg, vergoten om het leven dat voor hen niet weggelegd leek.

Op dat moment landde een zwarte raaf op de schouder van de prinses.

‘Schrik niet’, kraste de raaf, ‘ik ben het, meester Ravelaer. Eéns voelde ik mij net zo gevangen en gekooid als jullie. Ik ontmoette een magiër, of beter: hij ontmoette mij. Ik mocht één wens doen, ééntje maar. Ik koos voor een leven in vrijheid. Mijn wens werd ingewilligd. Er was één voorwaarde, ééns zou ik de wens moeten doorgeven. Het moment is daar, want ik zie hoe ongelukkig jullie leven zou zijn, hoe gelukkig het kan worden.’

Op dat moment verhief vlak bij het paleis een stipje zich in de lucht. Het stipje kwam hun kant op, het werd groter en groter. Vlak bij het dak waarop zij zaten kwam het vaartuig tot stilstand. Samen stapten ze in.

Nagestaard door de raaf verdwenen zij, op weg naar vrijheid en geluk.

(c) 2018 Hans van Gemert

Afbeeldingen aangereikt door  Schrijvelarij, en het verhaal is geschreven in de januari-uitdaging van Schrijvelarij.

signup

Word lid en beloon de maker en jezelf!