Vlinders tellen


Dit is een vervolg op een hele reeks verhalen, allemaal met steekwoorden uit de uitdaging van Vlindertje73.

De meeste van deze verhalen zijn door mij geschreven, maar er zijn ook een paar prachtige bijdragen van Dana en Ingrid.

Deel 1: Ochtend


Deel 9. Vlinders tellen (slot)

Ik sta vanuit het slaapkamerraam naar buiten te kijken en zie hoe Ingrid met haar auto wegrijdt. Ik ben bang dat ze gekke dingen gaat doen, en ik wil dus zo snel mogelijk weg. Maar helaas, de deur is onwrikbaar afgesloten, en vanuit het raam naar beneden springen gaat ‘m niet worden. Met gebroken ledematen kom je niet zo ver. Omdat mijn mobiel leeg is kan ik ook niemand bellen.

Maar ik laat me niet kennen! Misschien brengt het beddengoed uitkomst. In films weten mensen altijd uit zo’n situatie te ontsnappen door lakens aan elkaar te knopen. Ik heb een beter idee. Ik knoop de punten van de beddensprei bij elkaar en spring vanuit de vensterbank naar beneden. Het lege potje handcrème valt ook van de vensterbank af, maar daar zit ik mooi niet mee. De wind doet de sprei opbollen als een soort luchtballon en daardoor word ik een heel eind meegevoerd. Ik kom precies voor de deur van mijn woning neer.

Net op dat moment stapt Ingrid naar buiten, maar als ze me ziet schiet ze terug naar binnen. De deur staat open. Nee, dat is niet waar, de deur staat naast het deurkozijn. Dáár heb ik dus geen sleutel meer voor nodig. Ook het alarm is uitgeschakeld, hoe kan dat? Ik dacht dat alleen ík mijn pincode kende.

Natte sporen lopen naar binnen. Ik ken het bijna niet meer terug, zo schoon als het is. Het hoogpolige tapijt ziet er geschoren uit, en de salontafel blinkt als nieuw. En daar zie ik een onverwacht tafereel. Daar is de beer van vanmiddag en hij zit samen met een betraande Ingrid op de gepoetste bank. Of wacht, de beer is geen beer, het is Dana, die net haar koffiekopje op het onderzettertje op tafel zet. Gek, dat theelepeltje in dat kopje, ze gebruikt toch geen suiker of melk?

Dana kijkt me aan en lacht onzeker vervaarlijk gele tanden bloot. Je vraagt je af of ze thuis geen tandenborstel heeft, hier moet nodig flink gepoetst worden. ‘Het is allemaal een vergissing’, piept Dana, waarop Ingrid heftig knikt, en in snikken uitbarst: ‘Ik wil Ka-ha-ha-rel!’ en dan: ‘We kunnen álles uitleggen!’

Op dat moment wordt er op de deur geklopt. Daar staat een man op de stoep. ‘Ja sorry’, zegt hij, ‘Ik moest kloppen, want de deurbel lijkt defect.’

‘Hallo,’ zeg ik. Meer kan ik niet zeggen, want hij gaat snel verder.

‘Ben jij soms Hans?’ hij ziet er ineens gevaarlijk, woest en agressief uit. Ik knik. Jammer dat ik die deur niet kan dichtsmijten, anders had ik nu dat zeker gedaan. Maar ja, er ontbrak ineens een pen uit het scharnier. Veel tijd krijg ik ook niet meer.

‘Zo knul, nou ga je ’t meemaken. Ik ben Karel, en ik heb thuis een briefje van Ingrid gevonden met jouw naam en adres! Hoe zit dat?’

Vanuit de kamer hoor ik Ingrid roepen ‘O, Karel!’

De ogen van Karel flitsen even op, en voor ik iets kan doen of zeggen zie ik een stevige mannenvuist op me afkomen. De klap voel ik niet eens meer, maar ik voel wel hoe de bril van mijn hoofd glijdt en vervolgens glijd ik zelf ook. Enkele reis naar de vloer. Dan gaat het licht uit. Heel, heel erg uit.

Het is nu weer een weekje later. Ik mag van de dokter ’s middags alweer even uit mijn bed om in de tuin een wandelingetje te maken. Dat is fijn. In de tuin van het ziekenhuis zijn allerlei struiken met bloemen, waar vrolijk gekleurde vlinders rondfladderen. Ik heb ze wel eens geprobeerd te tellen, en dan gaf ik elke vlinder zijn eigen nummer. Het valt niet mee, die beestjes zitten nooit stil. Verder dan Vlindertje73 komt ik nooit.

Ingrid en Karel hebben elkaar opnieuw gevonden, ze kunnen elkaar gewoon niet missen, alle misverstanden zijn de wereld uit. Van Jacobien heb ik nog een kaart gehad. Ze heeft het bedrijf verkocht en ze is ingetreden in een nonnenklooster. Op het kaartje staat ‘O heerlijk, allemaal vrouwen en je hóeft niets te doen.’ Een beetje cryptisch, ik heb ze nooit helemaal begrepen.

Dana heeft me het hele verhaal uitgelegd, en opgebiecht dat zij de hele tijd de beer was. Ze kan dus niet alleen fantastisch schrijven, ze heeft dus ook een berentalent. Vind maar eens zo iemand!

Over een paar dagen mag ik weer naar huis. In het zonnetje tel ik opnieuw de vlinders.