Ze zijn er weer aan toe

Ze zijn er weer aan toe

Een brief van de notaris

Je zou dit verhaal vooraf kunnen lezen

De laatste klanken hadden geklonken, de toehoorders hadden genoten. Het was een geweldige dag geweest, maar aan alles komt een einde. Terwijl de muzikanten hun instrumenten weer opruimden stroomde het publiek weer naar de uitgangen van het immense festivalterrein. De plek was werkelijk ideaal geweest, de akoestiek tussen de heuvels geweldig en de muzikanten konden volledig unplugged spelen, zonder elektronische versterking. Die was daar trouwens toch niet mogelijk geweest.

John was tevreden. Het publiek had goed gereageerd op zijn vredesboodschap, die verweven was geweest in de melodieën en in de teksten. 

‘Goed gewerkt mannen!’

‘Geweldige plek, volgend jaar weer!’

Er werd geknikt, gelachen en er werd waarderend op elkaars schouders getikt. Nog één keer keken ze tevreden om zich heen, toen stapten ze in de bus. Voorzichtig stuurde John het gevaarte over de hobbelige grasvelden naar het uiteinde van de vallei, waar de route eerst over zandwegen en pas veel later over verharde wegen verder zou gaan.

Een half uurtje later was het hele terrein volledig verlaten. Volledig? Nee, toch niet. Van onder een overhangend stukje bergrots keken diverse oogjes spiedend rond. Kleine mannetjes en vrouwtjes keken elkaar met enige spijt aan.

‘Ze zijn weg, geloof ik.’

‘Ja, jammer. Het klonk wel goed.’

‘Zeker.’

Een gestalte met een lange grijze baard en een puntige muts kwam naar voren. ‘Misschien wordt het eindelijk weer eens tijd.’

De meeste anderen knikten instemmend, ze leken te begrijpen wat hij bedoelde. Alleen enkele jongeren keken hem vragend aan. Ze kregen het antwoord waarop ze wachtten.

‘Vroeger kenden de mensen ons allemaal. We leefden samen, we speelden een rol in hun leven. Ze vertelden verhalen over ons, schreven boeken. Maar toen werd de wereld harder. Het eigen ik,  de persoonlijke rijkdom van de mensen, dat werd belangrijker dan de wereld om hen heen. En ze vergaten ons.’

Even was het stil, je kon een grassprietje op de rotsen horen vallen. Toen ging de oude weer verder.

‘We komen nog maar nauwelijks voor in de boeken en verhalen. Wie kent ons tegenwoordig nog?’ Weer viel er een korte pauze.

‘Maar misschien wordt het nu weer tijd. We hebben zojuist de muziek gehoord, de boodschap die er in zat. Misschien staan de mensen weer open voor verbinding met de wereld om hen heen, voor verwondering over het leven. En voor ons.’

‘Moeten we opnieuw contact leggen?’

De oude knikte. ‘We moeten het proberen.’

‘Maar wij hebben niet van dat moderne spul. Hoe noemen ze dat, telefoons of zo’n compudinges.’

‘Nee’, schudde de oude het hoofd, ‘maar dat is ook niet nodig. We sturen twee boodschappers. Twee van de jongeren, want de jeugd heeft toekomst, ze zijn het symbool van de hoop.’

‘Maar wat moeten we dan zeggen?’ klonk het wat verschrikt.

De oude glimlachte even. ‘Je hoeft niets te zeggen. Ik geef jullie een geschreven boodschap mee, een vredesbrief, en ik zal hem zegelen met het meest passende symbool.’ Hij keek de twee jongste kabouters aan. ‘Een boodschap vol liefde, de mensen zijn er echt weer aan toe!’


(c) 2018 Hans van Gemert

Afbeelding: Pixabay

Schrijfuitdaging februari 2018

Doe ook mee! Lees hier hoe je dat doet:

signup

Word lid en beloon de maker en jezelf!

Promote: support and profit

Support Hans van Gemert with a promotion and this post reaches a lot more people. You profit from it by earning 50% of everything this post earns!
More