Met de billen bloot | Miranda Tabor

Met de billen bloot

 

In het kader van, u vraagt, wij draaien, doe ik nogmaals een verwoede poging om boven mijzelf uit te stijgen. Wetend dat driemaal scheepsrecht is, zal ik de koe bij de hoorns vatten. Trouwens, wie de schoen past.....

Lachend als een boer met kiespijn, graaf ik een kuil, waar ik (waarschijnlijk) zelf in zal vallen, mij van de prins geen kwaad wetend en ondertussen mijn handen in onschuld wassend. 

Het is in deze wereld allemaal geen koek en ei, dus zijn er vele die in koele bloede kletskoek verkopen. Maar al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaald hem wel. Toch al bekend staand als de bonte hond met de blauwe staart kan ik net zo goed ook de gebeten hond zijn. Of misschien het zwarte schaap. 

Pas nog zo ziek als een hond, het heen en weer gekregen, aan de lopende band, mij een brokkenpiloot voelend, schrijf ik het maar op mijn buik, dat ik weer snel in het zadel zal zitten, om vliegensvlug in het geweer te kunnen komen. Op mijn tellen passend, begeef ik mij op glad ijs, om zo uit de losse pols veel zoden aan de dijk te zetten. 

Het zal wel het ene oor in en het andere oor uit gaan. Probeer ik mij het hoofd te bieden en mooi weer te spelen, terwijl mijn schrijfsels het daglicht zien, niet altijd hetzelfde deuntje zingend, flierefluitend alles maar onder stoelen en banken stekend. Maar de boog kan niet altijd gespannen zijn, dus moet ik ook dingen van mij af laten glijden, kan het niet altijd kaviaar zijn, en moeten wij soms de broekriem aantrekken.

Doe ik ditmaal, voor spek en bonen mee, tegen beter weten in, maar ook ik kan geen omelet maken zonder eieren te breken en is het eerste gewin soms kattengespin. Doch wie goed doet, goed ontmoet en hoewel ik niet alles kan rijmen, maken vele handen licht werk en kan de liefde niet van één kant komen, is het geen wet van meden en perzen, dat dit de druppel zal zijn, die de emmer doet overlopen. Natuurlijk heb ik een verborgen agenda en wil ik alles onder tafel schuiven, zodat die leugenaars op hun neus zullen kijken en niet met iedereen meer in zee kunnen gaan, omdat er geen goed garen mee te spinnen valt. 

Er is geen goed kersen eten met dergelijke heren, en met zulke kan ik niet door één  deur, al likt een ander er misschien zijn vingers bij af. Vaak spelen zij onder één hoedje, terwijl zij schoon schip zouden moeten maken. Ik laat ze in hun sop gaar koken en alleen een piepend wiel olie krijgt, ik toch het rijk alleen heb en niet bij brood alleen kan leven, ga ik zo snel als een slak op een teerton, mijn lot getroost, koffiedik kijkend, uit een ander vaatje tappen. 

Ooit hoop ik de lachende derde te zijn en dat ik het niet voor de kat zijn viool heb gedaan. Kom ik nu, bij iemand in een goed blaadje, en is dit een kolfje naar haar hand. Kan ik voortaan op Yoors een potje breken en word ik kind aan huis.

 

Neem ook eens teveel hooi op je vork!

Share
You share. We pay.