Zomer


Elk jaar zagen wij aan de andere kant van het dal, zo'n 10 minuten voordat wij onze eindbestemming bereikt hadden, dit:

Eindelijk brak de ochtend aan. 
Zenuwachtig, voor het slapen gaan. 
De hond was in geen velden of wegen te bekennen, 
dat zal je net zien. 
Stil kroop zij in een hoekje, op de bank. 
Haar benen opgetrokken. 
 
Weken hadden in het teken van gestaan, maanden van voorbereiding. 
Als een ritueel, had iedereen zijn rol ingenomen. 
Hoe zij aan de hare kwam, wist zij niet meer. 
Niemand had haar iets gezegd of opgedragen. 
Gewoonlijk was zij nogal aanwezig, dat wist zij wel. 
Nu probeerde zij zich onzichtbaar te maken. 
 
De kleren, die zij vandaag zou dragen, waren al uitgezocht. 
Buiten spelen was geen optie meer. 
Zij had geleerd, die dag voor lief te nemen. 
 
Soms werd er een vraag gesteld, 

die zij maar het best met ja of nee kon beantwoorden. 

De grotere mensen hadden geen tijd. 
Soms telde zij hoe vaak haar zus de trap op liep, of dezelfde vraag herhaalde. 
Erg efficiënt was het niet. 
 
Er hing een broeierige sfeer, iedereen op zijn tenen. 
Poeslief, omdat elk moment de boel kon ontploffen, zo fragiel. 
Maar, om de één of andere reden, hadden​ ze allemaal besloten, 
nu niet. 
 
Hoe wij, onderling elkaar irriteren, wat er onderhuids ook groeit, 
vandaag gaan wij op vakantie. 
 
Waar moeder het lef vandaan haalde is haar nog een raadsel. 
Zij propte vier van haar kinderen in een Daf met aanhanger. 
De oudste zoon ging niet meer mee, die woonde op zijn eigen. 
Oma nam de hond in huis, verzorgde de planten.

Zes weken bleven ze weg. De gehele schoolvakantie. Dat op zich was al een prestatie. 

Klasgenootjes, die zij het vertelde keken raar, waren misschien jaloers, dacht zij, 

maar ook grote mensen wisten niet goed wat te zeggen.  

Meestal werd zij niet geloofd. “O, ja, en waar gaan jullie naar toe dan?” Vroegen de brutale. 

“Italië.” antwoordde zij trots. Schouderophalend liepen zij dan weg.  

Een meester had haar erop aangesproken, of zij wel wist hoe ver dat was. 

“Nou en of, had zij gezegd, vierentwintig uur in de auto.” 

Waarop de man verontwaardigd had gereageerd met: “Auto? 

Jouw moeder heeft een Daf!”  

Zij vond dat zeer humoristisch, onderling maakten zij daar thuis graag grapjes over. 

Moeder kon daar niet goed tegen, leuk was dat.  Dan kwam er een hele verdediging van moeder op gang. 

Hij had haar anders nog nooit in de steek gelaten en bracht, ook ons, altijd op de plek van bestemming.

We wisten niet hoe bevoorrecht wij waren. Haar broer deed er dan nog een schepje bovenop, 

terwijl zijzelf het wel genoeg vond, bekende dat het maar een grapje was.  


Zij begreep niet dat moeder daar maar in bleef trappen. 

Het was een beetje in strijd met de levenslessen die zij gaf, over je van schelden niks aantrekken. 

De wijste zijn en geen ruzie maken.  Soms werd zij er verdrietig van. 

Om zich beschermt te weten, had het beter, een automaat kunnen zijn,

geweest. Dat meende zij niet. Natuurlijk niet. Het waren de mooiste dagen van het jaar.