Kielhalen


Afgelopen weekend reed ik naar Delft voor een schrijfbijeenkomst. (Begeleiding door kelly Meulenberg. http://kellymeulenberg.com/  ) Ik hoopte op veel inspiratie, input en toch ook een beetje opbouwende kritiek.

Gelukkig, ik kreeg het ook.

Vooraf was ik aan het nadenken welke input ik dan zou willen. Ik heb gekozen voor feedback op het scheppen van sfeer en het creëren van een realistische context.

Uit de feedback bleek dat ik aardig op weg ben. Juist door een moment te kiezen waarbinnen de setting al redelijk sensationeel is, is het scheppen van die context minder naar voren gekomen. De personages zou ik beter kunnen schetsen en ik heb een paar tips gekregen over hoe ik het verhaal verder zou kunnen gaan vormgeven. Leuk.

Wie weet, hebben jullie ook nog tips of feedback? Misschien zelfs een beetje hoop dat ik hier verder mee zal gaan?

Laat het weten!

Hieronder dan het verhaal... de inspiratie kreeg ik doordat ik onder het Gouwe Aquaduct door reed en ik twee masten van zeilboten over mij heen zag varen. Direct moest ik denken aan het kielhalen waarbij je als straf onder een schip door getrokken werd aan een touw.

#kielhalen ,#schrijfbijeenkomst ,#Feedback , #ommelandsroute, #Hanze   

 

Kielhalen

1539, de Ommelandsroute bijna klaar. Het Kattegat spookt. We moeten onze lading aan land brengen maar met dit weer is dat een heidens karwei. Gelukkig is Kiel niet ver meer.

De zeilen zijn gereefd, alleen een stormfok stuurt ons naar de verderop gelegen wal. De wind in combinatie met het ijskoude water striemt over mijn gezicht. In de verte rolt de donder over het wild kolkende water. Hoe kan ik roer houden onder deze omstandigheden? Een klap tegen de boeg van het schip vertelt mij dat ik de golven recht kan pakken. Toch stijgt en daalt ons schip. Huizenhoog worden we getild om even later met een enorme klap op de volgende golf te landen. Iedere keer stroomt er een forse hoeveelheid water over het dek en tegen onze lichamen aan.

De kracht in mijn armen is mij aan het ontglippen mijn vingers zijn wit, verkrampt en stijf. Kou, doordringende kou heeft zich meester gemaakt van mijn lichaam. Het touw om mijn middel is de enige zekerheid die ik heb dat ik niet straks door een van de golven overboord geslagen word.

Het merendeel van de bemanning is nu benedendeks, alleen ik en de kapitein staan hier, uitkijkend over de zee. De zee die ons weinig zicht biedt op het vaste land dat toch echt niet ver meer kan zijn. Het zou klaarlichte dag moeten zijn, toch is het zicht zeer beperkt.

Het is donker, koud, onheilspellend. Nu en dan biedt een enorme bliksemschicht ons uitzicht over de golven. Nergens is een streepje land te bekennen.

Weer een flits en niet veel later een enorme klap. Het onweer is dichtbij, we varen recht door het oog en we kunnen geen kant op. Een volgende klap kan raak zijn. Ik klem mijn handen zo mogelijk nog vaster om het stuurwiel en ook de kapitein heeft zich inmiddels met touwen aan de reling vastgeklonken. Even een blik van verstandhouding. Een verbeten blik in zijn krachtige gelaat, vastberaden ogen kijken mij doordringend aan. Dit zijn de kapiteins waar je voor wilt varen. Als maatje ben ik bij hem begonnen en direct zag hij iets in mij.

In een razend tempo ben ik onder zijn bewind opgeklommen tot stuurman en dit jaar voor het eerst: eerste stuurman. Wat was ik trots! En nu, nu ben ik niet zeker of ik dit schip veilig naar de haven kan brengen. Ik mag mijn kapitein niet in de steek laten, nooit, hij doet het ook niet bij mij. Ondanks dat hij minimaal 15 jaar ouder is, zie ik hem als een van mijn beste vrienden.

Dan hoor ik een klap, een enorme klap, vlakbij, ik zie hoe een streep in een moordend tempo over het dek scheert en alles op zijn weg simpelweg verpulvert. Dat moet een van de touwen zijn die vanaf de ra naar beneden was gespannen. Ik kijk omhoog en zie hoe het grootzeil zich ontvouwt, een voor een knappen de banden die het op zijn plek zouden moeten houden. Ik schreeuw naar de kapitein. Hij ziet het ook en ondanks zijn hogere rang merk ik dat hij het touw om zijn middel losmaakt en stapje voor stapje naar het dek gaat.

NEE! Schreeuw ik. Even zie ik zijn ogen, van angst vervuld. Ook hij weet dat we geen schijn van kans hebben als dat grootzeil wind vangt. De mast zal als een strootje breken en het zeil is in staat om ons de diepte in te sleuren. Dit is een fijn schip, maar niet groot of sterk genoeg om dergelijke krachten het hoofd te bieden. Er moet iets gebeuren.

Natuurlijk is hij bang, toch is dit de enige kans op redding, de bemanning weet niet wat er op het dek gebeurt en ikzelf moet bij het roer blijven. Het is indrukwekkend om te zien met welk een kracht hij zich, tegen de wind en de gierende regen in, naar het want werkt. Ondanks zijn leeftijd is hij nog altijd fit en oersterk. Mijn blik is vastgeklonken aan zijn worstelende gestalte als hij het want in klimt, omhoog om de zeilen los te snijden van zijn banden. Het grootzeil zijn we straks kwijt, maar een andere keus is er eenvoudigweg niet. De eerste stappen zijn gezet, zijn handen moeten verkleumd zijn van de kou. Mijn bewondering groeit, bewondering voor de moed maar ook voor de vaardigheid van deze man. Dan volgt de volgende klap, de flits had ik nog niet eens gezien. Ze moeten vrijwel direct achter elkaar gekomen zijn. In het licht van de flits zie ik hoe mijn kapitein loslaat, zijn handen niet meer op het want. Een brul, en dan de weg naar beneden.

Ik kan dit niet zonder hem, hij mag niet het water in gaan.

Weer zie ik die streep, als een slang slaat hij zich om het lichaam van de kapitein. Samen landen ze op het dek. Tussen de splinters van wat zojuist nog tonnen voer en water waren.

Roerloos blijft hij liggen. Met een brok in mijn keel en verkrampte handen kijk ik toe. Verdoofd, stil. Is hij?...

Ik sta zo minimaal nog een kwartier en kom pas bij mijn positieven als ik merk dat de bemanning weer op het dek komt. De storm is gaan liggen. Het grootzeil hangt, als een laken dat aan de waslijn droogt, licht te wapperen in de wind.

De bemanning kijkt naar mij. “Wat moeten jullie?” Mijn frustratie moet merkbaar zijn. Ik weet mij geen raad. Natuurlijk ben ik nu de hoogste in rang en zal ik moeten handelen, maar hoe, wat? “Breng de kapitein naar zijn hut!” Ik roep de tweede stuurman om het over te nemen. Even later ben ik ook in de hut van de kapitein. Ik zie geen teken van leven. De scheepsarts geeft aan dat hij buiten westen is, maar dat hij nog ademt.

Ik voel hoe boosheid en frustratie in mij opborrelt. Hier kan ik niets doen. Met stampende passen been ik naar het dek. Woedend schreeuw ik mijn bemanning toe: “Wie heeft het zeil gereefd? Wie, ik wil hem hier en wel nu!”

Niet veel later meldt zich een van de matrozen. Bibberend en dit keer niet van de kou. Hij moet gestraft worden! Flink gestraft worden. Op sensatie beluste zeebonken staan om mij en de matroos heen. “Aan de ra!” wordt geroepen. “Gesel hem!” schreeuwt de volgende.

“Kielhalen!”

Dat laatste brengt mij bij zinnen. Het klopt, we moeten Kiel halen. Daar kunnen we verder kijken en de kapitein behandelen.

Ik schreeuw dus hard naar mijn tweede stuurman: “WE MOETEN KIEL HALEN!”

Grijnzend gaan de zeebonken aan het werk. De matroos krijgt een lederen vest aan tegen de scherpe randjes van vastgeklampte schelpdieren aan de onderzijde van ons schip. Een groot touw wordt aan de voorzijde van de boeg overboord gegooid met beide uiteinden aan een kant van het schip. Pas wanneer ze de matroos omhoog hijsen richting de ra heb ik mijn fout in de gaten.

Hoe kon ik zo stom zijn? Ik kan dit niet terugdraaien. Dat zou gezichtsverlies betekenen. Juist nu moet ik als een krachtig leider mijn mannen naar land weten te loodsen. Ik voel mij schuldig. Mijn maag begint op te spelen. Maar ik mag dit niet, nooit laten merken. Een plons klinkt, ik kan niet kijken. Ik voel de pijn, de ademnood, zelfs de doodsangst kan ik voelen en dan, niet veel later komt hij boven. Met gejuich wordt hij ontvangen. Hij leeft, zit onder de schrammen, maar god zij dank, hij leeft! Nu hij zijn straf heeft ondergaan verdient hij weer het respect van de gehele bemanning.

De scheepsarts kijkt mij verwijtend aan en gaat naar zijn volgende patiënt.

Ikzelf trek mij beschaamd terug in de kapiteinskamer daar zie ik hoe de kapitein een oog opent en een flauw glimlachje om zijn lippen tovert. Hij hoest en ik zie hem direct verkrampen van de pijn.

“We hebben het gered” brengt hij er flauwtjes uit. “En eigenlijk zonder kleerscheuren.”

Ik moet onwillekeurig denken aan de matroos. Het schip dobbert nu, er is nog geen koers gezet en aan het dek worden wat lichte reparaties gedaan.

“Hebben we Kiel gehaald?”

Ik kan alleen maar glimlachen.