Geschreven door Thierry P. Dinjens 
Tilburg staat van oudsher bekend om haar nijverheid. Ze is een stad waar door de honderden jaren heen altijd dingen vervaardigd zijn. Uiteraard staat onze stad het meest op de kaart door de wolnijverheid en is daardoor een belangrijke textielstad geworden. Maar lakenstoffen waren niet de enige producten die onze stad voortbracht. Aan het eind van de negentiende eeuw vinden we op Tilburgs grondgebied vier fabrieken die zich bezighielden met de productie van: sigaren. Al snel zouden zich namen van sigarenmakers gaan vestigen verspreid door de stad: Van Leeuwen in de Capucijnenstraat, Diepen in de Schijfstraat en Janssens in de Stationsstraat. In het eerste kwart van de twintigste eeuw was Tilburg, na Eindhoven, de belangrijkste Brabantse stad van de sigarennijverheid. Een status die aan het eind van de jaren vijftig geheel zou verdwijnen. Hiermee ging een fraai ambacht verloren.
We hoeven echter niet lang te treuren: In het Leijpark vinden we een sigarenmaker terug. Weliswaar eentje die niets van doen heeft met tabaksplanten, maar die zich richt op een heel andere plant, of beter: boom; de berk. Ik heb het over de berkensigarenmaker, die we beter kennen onder de naam Berkenbladrolkever.
Deze kever houdt er eigenaardige gewoonten op na. Zo zoekt zij een blad uit van een berk (en soms een els) en begint dan een s-vormige insnede te knagen in het blad. Hierbij vergeet zij niet om de hoofdnerf van het blad door te knagen. Dit heeft een later nut. Het blad is nu half doorgeknaagd en dan begint zij, als een heuse sigarenmaker, het blad op te rollen, tot er een kokertje ontstaat. Het kokertje wordt bijeengehouden door een lijm die de kever zelf maakt. Haar snuit fungeert als een naald (zoals uit een naaisetje).
Dit kokertje blijft aan de bladstengel hangen. In dit kokertje maakt de kever kleine kamertjes en in elke kamertje legt zij een eitje. Per blad om en nabij zes. Op een gegeven moment komen de eitjes uit en de kleine rupsen beginnen te knagen aan het opgerolde, nog verse blad. Zij doen dit terwijl zij in het kokertje zitten waar zij als larve niet uitkomen. Blad genoeg om van te leven en in het rolletje zijn zij onzichtbaar voor roofdieren en kunnen de wind en de regen hen niet raken.
We weten inmiddels dat de hoofdnerf kapot is en hierdoor begint het blad te verdorren. De Berkenbladrolkever heeft geen tijd om op de herfst te wachten, zij moet ervoor zorgen dat het blad eerder afvalt. En dat doet het, eenmaal dor en bruin geworden. Dit is koren op de molen van de larven. Zij moeten immers verpoppen in de parkbodem, maar hoeven de weg ernaartoe niet onbeschermd af te leggen: ze dwarrelen gewoon met het afvallende kokertje mee. Eenmaal beneden kruipen zij uit hun cilindervormig huisje, kruipen de grond in en verpoppen daar tot volwassen kevers. En dan begint het hele verhaal weer opnieuw.
Volwassen mannetjes lijken sterk op vrouwtjes, maar hebben dikke achterpoten. Leijpark-fotograaf Henk de Winter kiekte voor u een vrouwtje, hoogstwaarschijnlijk op zoek naar een geschikt berkenblad.
Ziet u? De sigaar verdween nooit helemaal uit het Tilburgse en met een beetje fantasie maken we, in het Leijpark, een knipoog naar het verleden. En nu maar hopen dat we nog lang van dit mooie park met al haar diversiteit mogen genieten, voordat deze groene long, misbruikt door nieuwbouw en festivalleed, alsnog de sigaar is.

kokertje