Geschreven door Thierry P. Dinjens

We kennen natuurlijk allemaal de fiscus, de Belastingdienst ook wel de Staatskas geheten. Om nu een beeld te krijgen waar dit woord vandaan komt, moeten we even naar: het Leijpark. Daar treffen we een plant aan die behoort tot de familie der russen: de Veldrus. Het woord ‘rus’ heeft niets te maken met het Russische volk, maar verwijst naar het Latijnse woord  ‘restis’ dat strop of touw betekent. Van Veldrus werd vroeger touw gevlochten dat voor allerlei doeleinden werd gebruikt. Vlechtwerk vastbinden voor onder andere stoelen, maar ook manden werden gevlochten met biezen en Veldrus. Veldrus is oersterk en wie in het water sukkelt kan zich het beste optrekken aan Veldrus, daar de wortels zo diep in de aarde vastgeklonken zitten dat er met gemak een volwassen man aan kan hangen zonder dat de plant loskomt. De Veldrus is makkelijk te herkennen aan zijn spitse donkerbruine bloemen.
Wat heeft dit alles nu met de fiscus te maken? Fiscus betekent letterlijk ‘mandje’ en bij de Romeinen was het een mand speciaal bedoeld om geld in te bewaren. Uit dit soort manden werden de Romeinse soldaten betaald, maar dat was beslist geen vetpot. De soldaten toen moesten namelijk vrijwel alles wat zij nodig hebben zelf betalen. Zo kregen wel een loonstrook, maar daar werd, voor de uitbetaling, geld voor eten, paardenvoer en sandalen van afgetrokken. Soms schoot er niks over. Waarom het dan toch zo aantrekkelijk was om in het Romeinse leger te gaan en te blijven was het feit dat soldaten tijdens veldtochten toestemming kregen om te plunderen. Na vijfentwintig jaar trouwe dienst kreeg men de keuze uit een groot stuk land of een aanzienlijk geldbedrag. Daar moet ik wel bij vertellen dat er maar weinig Romeinse soldaten zo’n lange tijd in dienst bleven; velen sneuvelden ver voor hun pensioensleeftijd. Het geld dat niet uitbetaald werd uit de fiscus, was voor het Rijk. De mandjes waren gemaakt van onder andere Veldrus die het vlechtwerk bij elkaar bond.
De fiscus ontwikkelde zich van een Romeins geldmandje, via een meer lokale kas, tot uiteindelijk de Staatskas of wat wij nu de Belastingdienst noemen.
Veldrus is niet eetbaar maar toch wordt zij gebruikt in de voedselindustrie, maar slechts op één bepaalde plek: het Franse eiland Oléron. Dit eiland is na Corsica het grootste Franse eiland in Europa en er wordt een schapenkaas gemaakt die tevens de naam Oléron draagt. Het is traditie om deze spierwitte kaas op te dienen op een bedje van de groene stengels van de Veldrus. In Frankrijk heet de kaas Jonchée d’Oléron. Jonchée is afgeleid van de Latijnse naam van Veldrus (Juncus) dat verbinden of verenigen betekent. Op het eiland dat werkelijk een klein paradijsje is, grazen grote kuddes schapen tussen bronsgroene eiken en moerassen.
Gelukkig voor ons hebben wij ook een klein paradijsje waar zo nu en dan ook schapen grazen. Wij Tilburgers zijn met deze bijzondere plek samengevlochten en daar hebben we niet eens de Veldrus voor nodig: Het is het Leijpark dat ons allen bindt.

Leijpark013 De Veldrus