Geschreven door Thierry P. Dinjens 


Op de lagere school leren we op eenvoudige wijze het verschil tussen insecten en geleedpotigen: Insecten hebben zes poten, geleedpotigen hebben er meer. Spinnen bijvoorbeeld hebben acht poten en duizendpoten of miljoenpoten veel meer dan dat. Toch klopt dit niet helemaal. Hier kwamen we achter toen we een piepklein diertje onder een stuk hout in het Leijpark vonden. Het ging om een diertje met de Latijnse naam Tomocerus vulgaris, beter gekend als Springstaart. Het beestje heeft, net als insecten, zes poten. Echter: de Springstaart is geen insect. Zij is een geleedpotige die familie blijkt te zijn van de schaaldieren. Zoals kreeften en krabben of wat dichterbij: pissebedden.
Deze Springstaart (er leven wel tweehonderd soorten in ons land) is niet veel groter dan drie millimeter. Wie een schop in de grond steekt kan soms wel tientallen springstaarten zien wegspringen.
Wie nu denkt dat er aan zo’n klein diertje niet veel aan is, vergist zich toch schromelijk.
Om te beginnen is de Springstaart één van de oudste nog levende dieren. Reeds 400 miljoen jaar geleden waren er reeds springstaarten. Dit weten we door fossielen die we hebben gevonden uit die tijd. Pas 200 miljoen jaar later verscheen de eerste dinosaurus ten tonele, zo lang terug zitten we in de tijd.
Per vierkante meter kunnen wel honderden tot duizenden springstaarten leven! De vraag is natuurlijk wat deze diertjes doen. Het antwoord is simpel: Plantaardig materiaal wordt afgebroken door schimmels, bacteriën en algen en springstaarten eten hen alle! Genoeg voedsel in de bodem dus.
Zoals hun naam reeds zegt gebruiken zij hun staart om mee te springen. Zodra er gevaar dreigt (en zo’n enorme schop in de grond is een heuse verstoring!) springen zij naar de veiligheid toe. Dit brengt wel met zich mee dat zij zich ineens bovengronds bevinden. Nu lopen zij gevaar om weg te waaien, want een beestje van zo’n gering formaat is al snel een prooi voor de wind. De Springstaart heeft hier een antwoord op. Zij beschikt over een zogeheten collofoor, een zuignap die aan haar onderlijf zit en die zij uit kan stulpen om zich te verankeren aan de grond. Of, als zij daar toevallig terechtkomt, op een wateroppervlak. De Springstaart is waterafstotend en water is voor haar een oppervlak waar zij niet doorheen zakt. Zij kan zich dus letterlijk vasthechten aan het water! Met diezelfde zuignap, die zij door middel van bloeddruk naar buiten stulpt, neemt zij vocht op van het bodemoppervlak.
Nu ben je inmiddels geneigd om te denken dat het een gespring van jewelste is op alle vlakken, maar ook dat is niet waar. Seks bijvoorbeeld is bij de Springstaart een saaie bedoening. Het mannetje kleeft met een draadje ergens een zaadpakketje vast en het vrouwtje gaat simpelweg op zoek, in de hoop er eentje te vinden. Lukt dit niet meteen dan geeft het mannetje (alsof het een speurtocht voor kinderen is) aanwijzingen. Maar een paring zit er niet in.
De Springstaart heeft een unieke eigenschap die zijn weerga niet kent. We gaan even terug naar het jaar Onzes Heren 1928, toen de Britse arts Alexander Fleming penicilline ontdekte, de eerste vorm van antibiotica. Vanaf dat moment nam de ontwikkeling van antibiotica een hogere vlucht en jarenlang waren artsen in de veronderstelling dat slechts schimmels en bacteriën antibiotica konden vormen. Na grondige studie echter blijkt dat ook de Springstaart dit kan. Voor de Springstaart is dit van levensbelang; de bodem zit vol met bacteriën en een aantal daarvan is schadelijk. Door zelf antibiotica te vormen geneest zij als het ware zichzelf. Ja, dan overleef je wel miljoenen jaren evolutie!
De springstaart is, zeker in groten getale, extreem belangrijk voor het Leijpark daar zij niets anders doet dan de bodem vruchtbaarder maken. Ongezien voor onze ogen, tot dat we zo lomp zijn om een schop in hun leefwereld te planten. Op zo’n moment springt de Springstaart in het oog, enkel om het volgende moment de dans te ontspringen. Als dat eenmaal gelukt is, springt de Springstaart een gat in de lucht!

Leijpark013 Springstaart