Het Afscheid


Ik voel mijn hart in mijn keel kloppen. Het koude zweet breekt me uit, langzaam voel ik vanaf mijn voorhoofd het zweet als pareltjes langs de zijkant van mijn gezicht glijden. Ik loop snel naar binnen en focus mij op het uitpakken van de boodschappen. Op de automatische piloot doe ik de broccoli, de hamburgers en de aardappelen in de koelkast. Uiteindelijk zakt mijn adem weer naar mijn buik.

Op de mat bij de deur ligt een envelop. Het adres is geschreven in een voor mij bekend handschrift. Sierlijke zwarte letters, bijna een vrouwelijk handschrift. Ik raap de brief op en draai de envelop om. Ik wil het niet zien, maar het is al te laat. Op het puntje van de plakrand zit het bekende teken, een rode roos met een naald er schuin overheen geplakt. De roos is gemaakt van fluweel en ruikt naar zijn aftershave. De geur van zoete bloemen en frisse mandarijn. De naald is van ijzer en met een scherpe punt. Net zo scherp als de toon van de woorden in zijn vorige brieven.

Ik wil deze brief niet openen en leg het op de eettafel onder een stapel boeken. Het zijn gebonden boeken met een harde kaft. Allemaal autobiografisch van schrijvers zoals Jan Siebelink, Multatuli en Hans Warren.

Mijn eettafel is normaal gesproken altijd leeg en opgeruimd, maar op dit moment kan ik mij er niet toe zetten. In andere moeilijke momenten van mijn leven was ik altijd sterk geweest en had ik moed getoond. Nu voel ik mij uit balans en moet alle moeite doen om mij te zetten tot de dagelijkse routines zoals aankleden, boodschappen doen, huis opruimen en eten klaarmaken.

Mijn mobiele telefoon gaat en ik zie dat het Linda is.

‘Hé Linda.’

‘Hé lieverd, gaat het etentje vanavond nog door?’ vraagt ze.

‘Ik ben bang van niet,’ zeg ik met een trillende stem.

Het is even stil aan de andere kant van de lijn.

‘Je hebt toch niet weer een brief gekregen?’ vraagt ze en ik hoor irritatie in haar stem.

‘Helaas wel.”

‘Oké, blijf thuis, ik ga alleen nog even douchen en dan kom ik gelijk naar je toe.’

Voordat ik nog iets kan zeggen, verbreekt ze de verbinding.

Linda ken ik al van de middelbare school. We hebben vorig jaar ons dertig jarig jubileum gevierd en zijn naar het concert van Doe Maar geweest. Het was in één woord geweldig. We konden alle liedjes meezingen en ik voelde me weer een puber van veertien. Gericht op mezelf en denkend dat de wereld aan mijn voeten ligt en ook echt alleen maar op mij zit te wachten.

Linda weet ook dat ik mijn hele leven de verkeerde mannen aantrek. Mannen met narcistische trekken en een enorme behoefte aan macht. Elke keer kom ik daar te laat achter en moet ik mezelf weer redden uit nare situaties. Situaties die altijd gepaard gaan met stress, spanning en slapeloze nachten

‘Ik ben zo snel mogelijk naar je toe gekomen,’ zegt Linda.

‘Ik ben je eeuwig dankbaar, want ik ben radeloos.’

‘Wanneer laat hij je nu eindelijk eens met rust?’ vraagt ze.

‘Ik weet het echt niet, Linda.’

‘Moet ik dan toch maar de politie inschakelen?’ vraag ik.

Ik pak de kleine dichte envelop onder de boeken vandaan en geef hem aan Linda. Ze draait de envelop om en ze ziet meteen de fluwelen roos met de naald.

‘Merel, hoe laat is het nu?’

Ik kijk naar de klok en vertel haar dat het tien over twee is. De klok is een ouderwetse koekoeksklok gekocht bij de kringloopwinkel. Gemaakt van hout en beschilderd met alle kleuren van de regenboog. Onderaan de klok hangen de bekende ijzeren slingers met daaraan houten klossen in de vorm van een dennenappel. Bij het hele uur komt de koekoek naar buiten en zegt het bekende woord.

‘Marcel is onderweg hiernaartoe. Hij arriveert om 14.45 uur bij de veerpont en hij wil je daar spreken. Zonder tegenbericht zien we elkaar,’ leest Linda voor. ‘We gaan er een leuke middag van maken, mijn eeuwige en enige liefde.’

Ik kijk naar de brief die zij op tafel legt, mijn vonnis.

‘Ik wil hem niet zien. Onmogelijk. Ik ben bang en ik heb wel wat anders te doen.’

‘Je hebt je weer mooi in de nesten gewerkt. Houdt het dan nooit eens een keertje op?’

Ik voel de tranen opkomen, maar laat ze niet zien.

‘Sorry, Merel, ik had niet zo scherp moeten reageren, maar de moed zakt mij soms in de schoenen. Ik zal altijd je vriendin blijven en je helpen, maar zullen we afspreken dat dit voorlopig de laatste man is?’

Ik kijk haar aan en ik kan geen woord uitbrengen. Ze slaat haar arm om mij heen en we omhelzen elkaar. Mijn tranen kan ik niet meer bedwingen en mijn hele lichaam schokt.

‘Schat, het komt wel weer goed, zegt ze.’

Ze loopt naar de keuken en pakt de reeds geopende fles wijn. Het is mijn lievelingswijn, een Chardonnay uit 2017. Als ik een slokje neem, proef ik de frisheid gecombineerd met perzik en kaneel.

‘Je gaat zo richting de pont en vertelt hem dat je geen enkel contact meer met hem wil en dat je desnoods de politie inschakelt.’

Ik weet dat ze gelijk heeft, maar waarom blijft mijn lichaam zo naar hem verlangen? Het is een behoefte aan samensmelting. Dat gevoel compenseert het gemis aan moederliefde. De pijn van dat gemis en het gevoel van afwijzing dat hierachter schuilt , verdwijnt dan voor even naar de achtergrond, maar komt uiteindelijk altijd weer terug. Dit gevoel zorgt ervoor dat ik afhankelijk ben van hem en instinctief weet hij dat.

Het zijn zijn hoekige kaken en de koele groene ogen, die mij herinneren aan mijn moeder. En ook al is hij er niet, op elk moment kan ik zijn lichaamsgeur tevoorschijn toveren. Het is een combinatie van lavendel en de geur van Zwitsal olie die hij gebruikt voor zijn droge huid.

Ik drink mijn glas wijn in één teug leeg en trek schoorvoetend mijn jas aan. Ik geef Linda een dikke kus en trek de deur achter mij dicht. Ze zegt dat ze wacht tot ik terugkom, maar vanbinnen weet ik dat deze dag anders zal eindigen.