We lopen in een doodlopende straat


Wat verwacht je van mij

Altijd maar leunen op mij. Steeds weer verwacht je mijn hulp, maar we lopen in een doodlopende straat.
 
Nooit kun je iets alleen, nooit wil je iets alleen. Je houdt de controle over het leven van jou, maar ook over dat van mij. Je wilt dat we samen zijn, samen doen en samen leven. Maar het is een doodlopende straat. Eénrichtingsverkeer. Alles wat jij wilt, alles wat jij voelt, reflecteer je op mij. Nooit zie je mijn pijn, voel je mijn verdriet of luister je naar mijn behoeften. Je spreekt over pais en vree, maar als het erop aankomt, dan moet die van mij komen. Jouw idee van samenleven is het idee van niet meer alleen te leven. Je leeft niet samen met mij, je leeft samen.
 
Jij bent de machinist, ik de kapitein. De kapitein, die het roer in handen heeft, maar steeds jouw koers vaart. Ik ben de aanhoorder, de bevelhebber, maar laat me steeds weer de weg wijzen. Nimmer kreeg ik de kans voor mezelf te kiezen, voor mezelf op te komen, want mijn argumenten deden er niet toe. Het is een doodlopende weg, de weg, die maar één kant op gaat. De weg, die straks stopt en niet meer verder gaat. Ga je dan terug? 
Je leeft alleen, maar toch ook weer samen. Je leeft je leven, maar denkt alleen aan jouw leven. De kapitein is afhankelijk van de machinist. Dat ben je je goed bewust. Je laat zien, wat ik heb en wat ik waard ben, maar op een negatieve manier. Je laat zien, dat anderen altijd voor gaan, dat anderen mij mogen bezeren, want jij vindt dat het erbij hoort. Je laat zien, hoeveel je van me houdt. De straat loopt dood, het is éénrichtingsverkeer, ik kan niet meer terug.
De straat loopt dood, de weg houdt op. Ik ga niet verder, maar keer ook niet terug. Het einde is in zicht. Pak de trein en ga, naar daar, waar je gehoor krijgt en naar daar waar vogels tam zijn.