De olifant en het rattenjong


Ze liep stilletjes achteruit.
Het wezen staarde haar aan.
Angst maakte zich van haar meester.

Het kleine meisje vroeg het zo lief. “Krijg ik die knuffelmuis, alsjeblieft?”
De grote zus van het kleine meisje stond er naast.
Zijzelf was de enige om antwoord te geven. Antwoord aan het kleine meisje met de grote zus.
Het was haar knuffelmuis.
Zelf was ze eigenlijk niet veel groter dan het kleine meisje.
Maar oh zo onzeker.
Ze durfde geen neen te zeggen.
“Eh, eigenlijk is die van mijn broertje” loog ze.
Het kleine meisje en de grote zus inen samen naar de woonkamer, waar de ouders zaten.
Ze volgde hen de woonkamer in en probeerde nog met een smekende blik richting haar moeder een uitweg te vinden.
Ze wou die knuffel helemaal niet afstaan, maar hoe vaak had ze al niet gehoord dat ze er eigenlijk te groot voor was geworden? Ze was immers al 9!
Te groot voor knuffels, poppen, blokken, speeltuinen,… Niet zo kinderachtig doen!
De meisjes vroegen het de moeder. “Van wie is die muis? Mogen we hem hebben?”
De moeder had de blik in de ogen van haar dochter wel gezien.
Ze haalde haar schouders op. “Oh die is van mijn dochter, moet je haar maar vragen.”
Het onnozele wicht die toch geen neen kan zeggen. Die zotte klein, dat domme kalf. De dikke molle.
Nu zonder knuffelmuis.

Een traan bengelt over haar wangen.
Het wezen is meedogenloos hard.
Zonder gevoel boort het verder in het diepste van haar herinneringen. Hier is ze niet klaar voor.

De fiets. De fiets is weg. Haar fiets.
Ze had hem enkele jaren geleden gekregen van haar peter.
Zowat het enige dat ze van hem had. Het enige.
Ze was er lang te klein voor geweest. Of ze had er op z’n minst te korte benen voor gehad.
“Je moet eerst met je beide voeten stabiel aan de grond kunnen wanneer je op het zadel zit. Anders is het veel te gevaarlijk en kan je vallen. Zal je vallen.”
Nu was ze toch al even eindelijk groot genoeg. Vaak fietste ze niet. Maar toch af en toe. Tot nu. Hij is weg.
“Waar is mijn fiets?” vroeg ze haar moeder.
“Oh de buurjongen had materiaal nodig om om te bouwen tot een go-cart. Hij had die fiets zien staan. Ik heb hem die gegeven. Voor die paar keer dat jij fietst kan je de mijne wel gebruiken.”
Ze keek om naar een oud verroest grijs ding en denkt terug aan haar mooie witgroene fiets die nu in stukken wordt gezaagd door de buurjongen. Een vriendje van haar broertje.
Ze fietst niet meer.

Vanuit haar bed ziet ze de rand van de muur in haar kamer. De rand waar eerst geel behangpapier had gekleurd.
De rand die nu overstempeld was met opdrukken van de firmanaam. Kriskras door elkaar, tussen scheuren en rode stift.
De firma van haar ouders.
Haar broertje en haar buurjongen hadden die stempels aangebracht.
Op de muur. In haar kamer.
Dat was ok voor haar moeder. Het was zij maar.
Voor zo’n kind maakte het toch niet uit of haar kamer ondergestempeld was.
Voor die zotte klein.
Dat domme wicht.
Kalf.

Ze valt mentaal op haar knieën.
Het wezen wordt even naar de hoek verbannen.
Maar blijft de olifant in de kamer.