Watersnoodramp 1953


Overschie, zondag 1 februari 1953. Afgelopen nacht heeft een combinatie van springvloed en een zware noordwester storm één miljard zeshonderdvijftig miljoen vierkante meter land overstroomd in Zeeland en delen van Noord-Brabant en Zuid-Holland, dus ook Rotterdam.

Overschie was altijd een zelfstandige gemeente, maar is sinds 1941 door Rotterdam geannexeerd. Wat water betreft komen bij Overschie vier wateren bij elkaar (Delfse Schie, Delfshavense Schie, Schiedamse Schie en wat er na de oorlog nog overgebleven is van de Rotterdamse Schie), dus bij ons was het heel spannend.

 Mijn vader was meubelmaker en timmerman en als hobby’s bouwde hij zelf radio’s, speelde hij accordeon en wekte ons elke zondag met klassieke muziek. Dit laatste kan ik iedereen aanbevelen, het is heerlijk om gewekt te worden door An der schönen blauen Donau of de Radetzky Marsch en dergelijke. Hij luisterde altijd heel vroeg naar de radio en als hij vond dat het tijd werd dat we opstonden, draaide hij die prachtige grammofoonplaten. Niet deze zondag echter. Nee, deze keer was het anders: als een generaal commandeerde hij ons het bed uit. We moesten ons snel aankleden en klaar staan om eventueel te vluchten. Het was noodweer en Zeeland was overstroomd en ook in Rotterdam liepen de straten onder. Wij moesten klaarstaan en mochten niet naar buiten, terwijl hij zelf buiten aan de slag ging. De hele dag was hij keihard buiten in de weer en pas later zouden we zien wat hij gedaan had. Ondertussen stuurde hij mijn 4 jaar oudere broer Henk telkens naar het politiebureau om te vragen wat de laatste situatie was. 

Henk was pas 8 jaar oud en had het heel zwaar in dit noodweer. Weliswaar waren drie zussen ouder dan hij maar de oudste tweeling was ook nog maar 13 en in die tijd liet je meisjes niet het zware werk opknappen, dus was Henk de klos. Hoewel ik pas 4 was zal ik mijn leven lang niet vergeten hoe hij er tegenop zag om nog eens en nog eens door dat hondenweer te moeten en door het water te ploeteren. Voor zover ik me kan herinneren stond het water nog niet zo hoog dat hij niet meer kon fietsen, maar het was wel zwaar om erdoor te ploegen, zeker met die harde wind. Bovendien was het politiebureau ook niet bepaald naast de deur. Hoe klein ik ook was, ik voelde met hem mee.

De berichten van Henk waren niet echt geruststellend. Volgens de politie was het de vraag of bepaalde dijken het zouden houden, maar er werd hard gewerkt om doorbraak te voorkomen.


Nu was het avond, de avond van zondag 1 februari 1953. Ik was slechts 4 jaar maar zal het nooit vergeten. Het gezin bestond uit vader, moeder en 9 kinderen. Mijn moeder was in verwachting en zou 10 weken later haar 10e kind baren. (Eigenlijk haar 12e want in de oorlog is mijn oudste zus en pal na de oorlog mijn oudste broer omgekomen. God hebbe hun ziel.) Later zou ik er nog twee zusjes en een broertje bij krijgen. Een groot gezin, maar grote gezinnen waren toen niet zo uitzonderlijk als nu.

 Maar nu waren we met 9 kinderen. Alle 9 kinderen stonden naast elkaar. Wegens de kleine huiskamer werd het meer een halve kring. De angst was voelbaar.

Mijn vader had een hele stapel opgepompte fietsbanden klaarliggen. Waar hij die vandaan gehaald weet ik niet, maar het waren zo te zien de grootst mogelijke fietsbanden. Bij elk kind vouwde hij de banden kunstig onder de oksels en over het bovenlijf, als een zwemvest. Ondertussen moest de arme Henk nog voor een laatste keer naar het politiebureau. Hij kwam terug en zei dat het volgens de politie niet erger zou worden en dat hij niet meer langs hoefde te komen. Mijn vader was er niet gerust op, maar deed de banden af en hield ze paraat. We wisten nu hoe we ze om moesten doen als het erop aankwam. Henk mocht eindelijk thuisblijven. Een les in mijn jonge leven was dat iemand toch heel blij kan kijken, ook in een rampsituatie.

 De volgende dag konden we zien wat mijn vader gebrouwen had. In de achtertuin lag een constructie van vier enorm dikke balken, waarin een heel grote zinken badkuip was gehangen. De fietsbanden had hij waarschijnlijk geregeld bij de zoon van onze buurman. Die was fietsenmaker, maar zal ook niet blij geweest zijn om door dat beestachtige weer op zondag naar de zaak te moeten. Maar tegen mijn vader zei je niet eenvoudig nee of misschien was het ook gewoon menselijkheid, want toen had men nog veel voor elkaar over. Dit laatste zag men ook bij de hulp aan de Zeeuwen. De 1836 doden kon niemand voorkomen, maar daar waren ook velen bij die verdronken bij hun poging om medemensen te redden. Hulde aan deze helden, aan Henk, aan mijn vader en alle ouders die probeerden hun gezin te redden.

signup

Word lid en beloon de maker en jezelf!