Op reis in Winterwonderland 2


#yoorsjanuary2021 

Het was -30 graden, de sneeuw dwarrelde over mijn hoofd, en ik zat verstijfd in de slee. Alle kinderen, ook ik, begonnen te huilen. Het was ijskoud, de honden blaften, en wij, die net uit het warme Nederland kwamen, wij zaten daar...

Er was ons verteld dat de rit niet veel langer dan een half uur zou duren, maar het tegendeel werd bewezen. Meer dan een uur hebben we in de slee gezeten. Er was een prachtig uitzicht, maar niemand richtte er aandacht op. Iedereen was gefocust op de verbazingwekkend koude temperatuur.

Wanneer het voor ons een eeuwigheid later leek te zijn, zagen we het kleine, gammele hutje weer verschijnen. Bijna iedereen was blij. Het voelde alsof we naar de overkant van een kanaal moesten zwemmen, helemaal uitgeput waren, maar we toen het besef kregen dat de kade niet eens meer zo ver weg was.

Later bleek het een miscommunicatie te zijn, waardoor we langer in de slee hebben gezeten. Maar toen we dezelfde avond lekker om een vuurtje zaten, hoorde je niemand meer klagen. Sommige mensen vonden het achteraf wel grappig wat er gebeurt was. Er bleek zelfs een rendier langsgekomen te zijn, dat hadden maar twee van ons gemerkt.

Toen ik de volgende dag weer wakker werd in het hotel, en de gordijnen opzijschoof, zag ik de sneeuw op de straat liggen. Ik wilde meteen naar buiten! Dat deed ik dan ook zo snel als mogelijk was. Ik denk dat ik die dag wel een record gevestigd heb met de snelheid waarmee ik mijn broodje wegwerkte. Ik moest alleen nog een enorm dik pak aan, en toen kon ik de sneeuw in.

We zaten in een reisbusje opweg naar “de volgende activiteit” dat is alles wat mijn ouders me vertelde. Mijn ogen gingen telkens van het prachtige landschap, naar de telefoon van het meisje dat naast mij zat.

Eenmaal aangekomen bij de knusse blokhut, zag ik een tiental aan ski’s staan. Ik was ontzettend opgewonden. En ja hoor, na een warme kop thee gedronken te hebben, stonden we daar dan, op onze ski’s. We gingen langlaufen.

“Langlaufen is iets anders dan skiën” zei mijn moeder. “Bij langlaufen ga je niet alleen van heuvels af, maar ga je ook op de rechte stukken en klim je je de heuvels op.” Dat maakte mij niet zo veel uit. Ik had er gewoon ontzettend veel zin in.

Mijn moeder, mijn vader, ik, en een andere vrouw bleven bij elkaar. In het begin ging het nog wat moeizaam, maar al gauw begonnen we het onder de knie te krijgen! Heuvel op, heuvel af. Ik kon er echt van genieten. Alles ging zo goed, nou ja...

Na enkele minuten, kwamen we er langzaam maar zweler achter, dat we de rest van de groep verloren waren. “Volgens mij zijn we verdwaald” zei mijn moeder. De andere vrouw, die ook met ons mee was gegaan, moest een beetje lachen “dit is wel heel sullig” zei ze. Ik vond het juist wel spannend, ik vond het echter geen ramp, want ik wist dat mijn vader zijn telefoon bij zich had. En als hij geen bereik had was het ook geen probleem geweest, want in de verte zag ik al wat huisjes staan. We besloten om terug te keren. In de hoop dat we weer op het pad zouden komen...