'Wanneer wilt u naar huis?' 'Wat dacht u van nu?'


Ieder kwartaal verschijnt er een column van mij in het Meerlingen Magazine van de NVOM (Nederlandse Vereniging voor Ouders van Meerlingen). Omdat ik veel reacties heb ontvangen op mijn column heb ik besloten deze ook hier te plaatsen, zodat mijn column nog meer mensen bereikt.


Noud is opgenomen in het ziekenhuis om geobserveerd te worden. Na dag 2 hoorden wij dat hij er minstens twee weken zou liggen. De neuroloog maakt zich ernstig zorgen om zijn boosheid. Ik ook, want als hij boos blijft duurt de opname nog langer, maar ik snap zijn boosheid volkomen.

Door een fout is Noud weken later opgenomen. Inmiddels was hij zijn bed uit, fietste hij buiten rond en ging halve dagen naar school. Dag 1 in het ziekenhuis werd er door de pedagogisch medewerker een dagprogramma opgesteld. Furieus was Noud dat iedere minuut in het ziekenhuis werd geregisseerd. ‘Wie is zij om een speelmoment met mijn moeder in te plannen? Ik maak zelf uit of ik met mijn moeder wil spelen of niet. Ik heb vrije tijd nodig!’ Vanaf dat moment heeft hij een hekel aan deze vrouw die hij al jaren kent, maar niet de moeite nam om naar hem te luisteren. Tegen de verpleging laat hij duidelijk zijn haat naar haar weten, maar in haar gezicht speelt hij het spelletje mee. Fout op fout maakt zij bij de inschatting over mijn kind, maar haar bevindingen maken deel uit van de observatie en omdat Noud zich bij haar van de domme houdt, heeft zij geconcludeerd dat hij een lichtverstandelijke beperking heeft en dat heeft gevolgen voor de hele opname en het natraject. Inmiddels ben ik ook furieus. Deze vrouw heeft het helemaal bij het verkeerde eind. Iedereen die Noud kent weet dat hij geen verstandelijke beperking heeft. Maar Noud is boos en werkt niet mee. De verpleging die hij al jaren kent laat grote gaten vallen in Noud zijn vertrouwen en verzorging. Noud is groter en zwaarder en dat merkt hij maar al te goed. ‘Vanaf vandaag doen wij alles samen, want je bent te zwaar’, ‘We halen gewoon een luierdoekje onder de oksels dan ben je weer fris’, ‘Ik kan hem niet helpen, ik weet niet hoe de tillift werkt’, mevrouw kunt u komen Noud heeft gepoept en mijn collega’s zijn weg’. Al dit soort opmerkingen hoort hij dag in en dag uit in het ziekenhuis.

Ons lichtpuntje is als de andere kinderen op bezoek komen, maar het afscheid wordt steeds moeilijker. ‘Mama, wanneer komen jullie nu thuis? We missen jullie.’ Dus toen we een evaluerend gesprek hadden met de arts, pedagogisch medewerker en de verpleegster die een luierdoekje onder zijn oksels had gehaald, vroeg de arts; ‘Wanneer wilt u naar huis? en antwoordde ik ‘Wat dacht u van nu?’ Binnen twee uur waren we uit het ziekenhuis, was de kamer leeg, de kamer in het Ronald McDonaldhuis schoongemaakt en zaten we in de auto naar huis. ‘Eindelijk slaap ik weer samen met Wout’.